Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verloop van de procedure
2..De feiten
3..Het geschil
4..De beoordeling
5..De beslissing
:
Rechtbank Rotterdam
De Gemeente Rotterdam huurde in 2017 een pand van Stichting Enver en gaf dit in gebruik aan [gedaagde] vanwege haar acute woningnoodsituatie. De overeenkomst was aanvankelijk tijdelijk tot 31 januari 2018, maar werd stilzwijgend verlengd vanwege het ontbreken van een alternatieve woning. De Gemeente betaalde een hogere huur aan Enver dan de bijdrage die [gedaagde] betaalde.
In 2019 gaf Enver aan het pand te willen verkopen en de Gemeente zegde het gebruik op per 1 september 2019. [gedaagde] vertrok niet en betaalde sinds november 2019 geen bijdrage meer. De Gemeente vordert ontruiming op grond van artikel 6:162 BW Pro jo. 254 Rv. [gedaagde] stelt dat sprake is van een huurovereenkomst met huurbescherming die niet rechtsgeldig is beëindigd.
De kantonrechter oordeelt dat het gebruik naar zijn aard van korte duur was en de huurovereenkomst per 1 september 2019 is geëindigd. De Gemeente heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij alles heeft gedaan om [gedaagde] aan een andere woning te helpen. De gevorderde ontruiming wordt toegewezen met een termijn van zes weken, zonder dwangsom, en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] tot ontruiming van het pand binnen zes weken en veroordeelt haar in de proceskosten.