In deze strafzaak werd door de verdediging een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter vanwege diens uitlating dat het jeugdrecht 'een gepasseerd station' was. Dit gebeurde na de afwijzing van een verzoek tot aanhouding van de zaak om nader onderzoek naar de toepasselijkheid van het jeugdrecht mogelijk te maken.
De verdediging stelde dat de rechter met deze uitspraak vooruitliep op de uiteindelijke beslissing en daarmee de schijn van vooringenomenheid wekte. De rechter ontkende dit en gaf aan dat alle aspecten van de zaak, inclusief het jeugdrecht, nog volledig besproken zouden worden.
De wrakingskamer oordeelde dat hoewel de afwijzing van het aanhoudingsverzoek een procesbeslissing is, de gebruikte bewoordingen van de rechter de schijn van vooringenomenheid oproepen. Dit was voldoende om het wrakingsverzoek toe te wijzen.
De beslissing werd genomen door een meervoudige wrakingskamer en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2022. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.