Verzoekster huurt sinds 2009 een woning van verweerster en werd bij vonnis van 12 november 2021 veroordeeld tot betaling van achterstallige huur en ontruiming. Een eerste moratorium werd op 23 december 2021 toegekend onder de voorwaarde dat lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Verzoekster schond deze voorwaarde door de huur van december 2021 en januari 2022 niet tijdig te betalen, waarna verweerster het moratorium als vervallen beschouwde en ontruiming aankondigde.
Verzoekster diende daarop op 17 januari 2022 een tweede moratoriumverzoek in, waarbij zij verklaarde dat de betalingsachterstand veroorzaakt werd door late loonbetaling en noodzakelijke uitgaven. Zij werd op 21 januari 2022 onder beschermingsbewind gesteld, wat leidde tot volledige betaling van de achterstallige huur met behulp van een gift en tijdige betaling van de lopende huur.
De rechtbank oordeelt dat het eerste moratorium is vervallen door de schending van de betalingsvoorwaarde, maar dat een tweede moratoriumverzoek ontvankelijk is. Gezien de gewijzigde omstandigheden, de herstelde betaling en de toezeggingen van de beschermingsbewindvoerder, weegt het belang van verzoekster om in de woning te blijven zwaarder dan het belang van verweerster. De rechtbank wijst het tweede moratorium toe voor een kortere termijn dan zes maanden en stelt als voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.