ECLI:NL:RBROT:2022:10917

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 december 2022
Publicatiedatum
14 december 2022
Zaaknummer
ROT 22/4244
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot herbeoordeling kinderopvangtoeslag: rechtbank beveelt beslissing binnen termijn met dwangsom

Eiseres heeft op 19 april 2021 een verzoek ingediend bij de Belastingdienst/Toeslagen tot herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag. Ondanks een verlenging van de beslistermijn en een tussentijdse mededeling over een lichte toets, is de definitieve beslissing uitgebleven. Eiseres stelde de Belastingdienst in gebreke en diende vervolgens beroep in bij de rechtbank vanwege het uitblijven van een besluit.

De rechtbank constateerde dat de beslistermijn was overschreden en dat de Belastingdienst ondanks een dwangsombeslissing van 22 augustus 2022 nog geen definitief besluit had genomen. De rechtbank bepaalde dat de Belastingdienst binnen vier weken na verzending van het vonnis alsnog een beslissing moet nemen, met een dwangsom van € 100 per dag bij overschrijding, tot een maximum van € 15.000.

Daarnaast werd de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. De rechtbank motiveerde de langere termijn vanwege de grote hoeveelheid herbeoordelingsverzoeken en bezwaarschriften die zorgvuldig moeten worden beoordeeld. Het beroep werd gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit vernietigd.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de Belastingdienst binnen vier weken een beslissing te nemen op het verzoek tot herbeoordeling met een dwangsom van € 100 per dag bij overschrijding.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/4244
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2022 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

gemachtigde: mr. A. Alam – Khan,
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder,

gemachtigde: mr. B. Igrek.

Procesverloop

Eiseres heeft op 19 april 2021 bij verweerder een verzoek gedaan om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag.
Bij brief van 21 april 2022 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld.
Op 8 september 2022 heeft eiseres beroep ingesteld vanwege het uitblijven van een beslissing op haar verzoek, waarbij eiseres de rechtbank heeft verzocht verweerder op te dragen binnen twee weken na de uitspraak alsnog een beslissing te nemen.
Verweerder heeft op 21 oktober 2022 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.
2. Eiseres heeft kinderopvangtoeslag ontvangen en zij heeft zich gemeld voor een herbeoordeling van haar recht daarop. Verweerder heeft dit verzoek in behandeling genomen. Bij brief van 1 oktober 2021 heeft verweerder de termijn van herbeoordeling éénzijdig verlengd met zes maanden. Verweerder moest dan uiterlijk op 19 april 2022 een beslissing nemen. Op 1 april 2022 heeft verweerder per brief aan eiseres laten weten dat meer tijd nodig is voor de herbeoordeling.
Bij besluit van 23 maart 2022 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij op basis van een zogenoemde lichte toets niet in aanmerking komt voor een (minimaal) compensatiebedrag van € 30.000,-, maar dat hierover pas later een definitief besluit wordt genomen.
3. Het is niet in geschil dat de beslistermijn voor het verzoek tot herbeoordeling is overschreden. Eiseres heeft verweerder in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door verweerder zijn meer dan twee weken voorbij gegaan. Het is niet gebleken dat verweerder alsnog heeft beslist op het verzoek.
4. Uit het dossier blijkt dat verweerder op 22 augustus 2022 een dwangsombeslissing heeft genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend, zoals ook door eiseres is verzocht. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de bestuurlijke dwangsom niet meer zelf vast te stellen.
5. Omdat verweerder nog geen besluit op het verzoek heeft genomen, bepaalt de rechtbank verder dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het bestuursorgaan dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. Verweerder heeft op grond van het derde lid van artikel 8:55d, van de Awb, gemotiveerd verzocht om een langere termijn, namelijk 13 weken. Verweerder heeft daarnaast verzocht om een mogelijkheid om deze termijn te kunnen verlengen met een periode waarin de herbeoordeling geen doorgang kan vinden door toedoen door eiseres.
6. De rechtbank is van oordeel dat een termijn recht moet doen aan de reële mogelijkheden om op het verzoek te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen.
In dit geval is sprake van bijzondere omstandigheden om van de standaardtermijn van twee weken af te wijken. In algemene zin geldt dat verweerder een veel groter aantal aanvragen voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag heeft ontvangen dan was voorzien. Dat geldt ook voor het aantal bezwaren. Deze aanvragen en bezwaarschriften moeten allemaal zorgvuldig worden beoordeeld.
Dit heeft tot gevolg gehad dat het verzoek om herbeoordeling van eiseres nog niet is afgehandeld. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank in dit geval een beslistermijn van 12 weken, die is gaan lopen na de indiening van het verweerschrift. Omdat van deze termijn op het moment van de uitspraak 8 weken zijn verstreken, zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen 4 weken na de verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing moet nemen op het verzoek van eiseres. De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat deze beslistermijn wordt verlengd indien door toedoen van eiseres vertraging optreedt. Daarbij is van belang dat dit een onzekere toekomstige situatie betreft.
7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de termijn van 4 weken overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-.
8. Het beroep is dus gegrond. Verweerder moet ook het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 379,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat hij alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of er een dwangsom verschuldigd is.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen 4 weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak
alsnog een besluit te nemen op het verzoek van eiseres;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag
waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 379,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 16 december 2022.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.