Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.
2. Eiseres heeft kinderopvangtoeslag ontvangen en zij heeft zich gemeld voor een herbeoordeling van haar recht daarop. Verweerder heeft dit verzoek in behandeling genomen. Bij brief van 1 oktober 2021 heeft verweerder de termijn van herbeoordeling éénzijdig verlengd met zes maanden. Verweerder moest dan uiterlijk op 19 april 2022 een beslissing nemen. Op 1 april 2022 heeft verweerder per brief aan eiseres laten weten dat meer tijd nodig is voor de herbeoordeling.
Bij besluit van 23 maart 2022 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij op basis van een zogenoemde lichte toets niet in aanmerking komt voor een (minimaal) compensatiebedrag van € 30.000,-, maar dat hierover pas later een definitief besluit wordt genomen.
3. Het is niet in geschil dat de beslistermijn voor het verzoek tot herbeoordeling is overschreden. Eiseres heeft verweerder in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door verweerder zijn meer dan twee weken voorbij gegaan. Het is niet gebleken dat verweerder alsnog heeft beslist op het verzoek.
4. Uit het dossier blijkt dat verweerder op 22 augustus 2022 een dwangsombeslissing heeft genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend, zoals ook door eiseres is verzocht. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de bestuurlijke dwangsom niet meer zelf vast te stellen.
5. Omdat verweerder nog geen besluit op het verzoek heeft genomen, bepaalt de rechtbank verder dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het bestuursorgaan dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. Verweerder heeft op grond van het derde lid van artikel 8:55d, van de Awb, gemotiveerd verzocht om een langere termijn, namelijk 13 weken. Verweerder heeft daarnaast verzocht om een mogelijkheid om deze termijn te kunnen verlengen met een periode waarin de herbeoordeling geen doorgang kan vinden door toedoen door eiseres.
6. De rechtbank is van oordeel dat een termijn recht moet doen aan de reële mogelijkheden om op het verzoek te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen.
In dit geval is sprake van bijzondere omstandigheden om van de standaardtermijn van twee weken af te wijken. In algemene zin geldt dat verweerder een veel groter aantal aanvragen voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag heeft ontvangen dan was voorzien. Dat geldt ook voor het aantal bezwaren. Deze aanvragen en bezwaarschriften moeten allemaal zorgvuldig worden beoordeeld.
Dit heeft tot gevolg gehad dat het verzoek om herbeoordeling van eiseres nog niet is afgehandeld. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank in dit geval een beslistermijn van 12 weken, die is gaan lopen na de indiening van het verweerschrift. Omdat van deze termijn op het moment van de uitspraak 8 weken zijn verstreken, zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen 4 weken na de verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing moet nemen op het verzoek van eiseres. De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat deze beslistermijn wordt verlengd indien door toedoen van eiseres vertraging optreedt. Daarbij is van belang dat dit een onzekere toekomstige situatie betreft.
7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de termijn van 4 weken overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-.
8. Het beroep is dus gegrond. Verweerder moet ook het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 379,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat hij alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of er een dwangsom verschuldigd is.