ECLI:NL:RBROT:2022:10891

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 december 2022
Publicatiedatum
13 december 2022
Zaaknummer
ROT 22/4242
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op verzoek herbeoordeling kinderopvangtoeslag

Eiseres heeft op 23 maart 2021 een verzoek ingediend tot herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst/Toeslagen. Omdat verweerder niet tijdig een beslissing nam, stelde eiseres op 7 maart 2022 een ingebrekestelling op, die echter prematuur was aangezien de beslistermijn op 23 maart 2022 verliep.

Op 8 september 2022 stelde eiseres beroep in bij de rechtbank Rotterdam wegens het uitblijven van een besluit. De rechtbank oordeelt dat het beroep niet te vroeg is ingediend en verklaart het beroep gegrond. Verweerder heeft op 20 juli 2022 een dwangsombeslissing genomen, waarbij een dwangsom van €1.442,- aan eiseres is toegekend.

De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen vier weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen op het verzoek tot herbeoordeling. Bij overschrijding van deze termijn verbeurt verweerder een dwangsom van €100,- per dag, met een maximum van €15.000,-. Tevens moet verweerder het betaalde griffierecht van €50,- aan eiseres vergoeden.

De rechtbank motiveert de termijn van vier weken als een redelijke balans tussen de noodzaak tot zorgvuldigheid en het belang van een spoedige beslissing, mede gelet op de grote hoeveelheid herbeoordelingsverzoeken die de Belastingdienst ontvangt. De rechtbank wijst een verlenging van de termijn bij vertraging door eiseres af vanwege de onzekerheid hiervan.

De uitspraak is gedaan door rechter N. Boonstra en griffier H. Sabanovic op 16 december 2022 en is in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de Belastingdienst op binnen vier weken alsnog een besluit te nemen onder dreiging van een bestuurlijke dwangsom.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/4242
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2022 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder,

gemachtigde: mr. W.E. Louwerse.

Procesverloop

Eiseres heeft op 23 maart 2021 bij verweerder een verzoek gedaan om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag.
Bij brief van 7 maart 2022 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld.
Op 8 september 2022 heeft eiseres beroep ingesteld vanwege het uitblijven van een beslissing op haar verzoek, waarbij eiseres de rechtbank heeft verzocht verweerder op te dragen binnen twee weken na de uitspraak alsnog een beslissing te nemen.
Verweerder heeft op 19 oktober 2022 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.
2. Eiseres heeft kinderopvangtoeslag ontvangen en zij heeft zich gemeld voor een herbeoordeling van haar recht daarop. Verweerder heeft dit verzoek in behandeling genomen. Bij brief van 31 augustus 2022 heeft verweerder de termijn van herbeoordeling éénzijdig verlengd met zes maanden. Verweerder moest dan uiterlijk op 23 maart 2022 een beslissing nemen.
3. Eiseres heeft verweerder op 7 maart 2022 in gebreke gesteld, terwijl verweerder tot 23 maart 2022 de tijd had om te beslissen. De ingebrekestelling is daarmee prematuur ingediend, maar omdat het beroep niet prematuur is ingediend, is niet-ontvankelijkheid niet aan de orde. Verweerder heeft bovendien op 20 juli 2022 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend, zoals ook door eiseres is verzocht. De rechtbank hoeft daarmee de hoogte van de bestuurlijke dwangsom niet zelf vast te stellen.
4. Omdat verweerder nog geen besluit op het verzoek heeft genomen bepaalt de rechtbank verder dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het bestuursorgaan dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. Verweerder heeft op grond van het derde lid van artikel 8:55d, van de Awb, gemotiveerd verzocht om een langere termijn, namelijk 13 weken. Verweerder heeft daarnaast verzocht om een mogelijkheid om deze termijn te kunnen verlengen met een periode waarin de herbeoordeling geen doorgang kan vinden door toedoen door eiseres.
5. De rechtbank is van oordeel dat een termijn recht moet doen aan de reële mogelijkheden om op het verzoek te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen.
In dit geval is sprake van bijzondere omstandigheden om van de standaardtermijn van twee weken af te wijken. In algemene zin geldt dat verweerder een veel groter aantal aanvragen voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag heeft ontvangen dan was voorzien. Dat geldt ook voor het aantal bezwaren. Deze aanvragen en bezwaarschriften moeten allemaal zorgvuldig worden beoordeeld.
Dit heeft tot gevolg gehad dat het verzoek om herbeoordeling van eiseres nog niet is afgehandeld. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank in dit geval een beslistermijn van 12 weken, die is gaan lopen na de indiening van het verweerschrift. Omdat van deze termijn op het moment van de uitspraak 8 weken zijn verstreken, zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen 4 weken na de verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing moet nemen op het verzoek van eiseres. Een kortere termijn, zoals door eiseres bepleit, acht de rechtbank niet reëel en doet afbreuk aan de in acht te nemen zorgvuldigheid.
De rechtbank ziet verder geen aanleiding te bepalen dat deze beslistermijn wordt verlengd indien door toedoen van eiseres vertraging optreedt. Daarbij is van belang dat dit een onzekere toekomstige situatie betreft.
6. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de termijn van 4 weken overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-.
7. Het beroep is dus gegrond. Verweerder moet ook het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen 4 weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak
alsnog een besluit te nemen op het verzoek van eiseres;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag
waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 16 december 2022.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.