Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verloop van de procedure
2..De vaststaande feiten
.
3.Het geschil
4..De beoordeling
5..De beslissing
:
Rechtbank Rotterdam
De huurder verhuurde sinds 2013 een woning en een gekoppelde parkeerplaats van Stichting Havensteder. Havensteder stelde dat de huurder zijn hoofdverblijf niet in de woning had, wat een essentiële verplichting is volgens de huurovereenkomst en de algemene huurvoorwaarden. Diverse onderzoeken, meldingen van omwonenden, huisbezoeken en het ontbreken van inschrijving op het adres ondersteunden dit standpunt.
De huurder betwistte dit, maar leverde geen voldoende bewijs om zijn stelling te onderbouwen. Hij was bovendien niet aanwezig bij de mondelinge behandeling, waardoor zijn verweer summier bleef. De kantonrechter concludeerde dat de huurder zijn verplichtingen onvoldoende was nagekomen en zich niet als een goed huurder had gedragen.
Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW Pro en artikel 7:213 BW Pro oordeelde de rechtbank dat het niet hebben van het hoofdverblijf in de woning een ernstige tekortkoming is die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Ook het belang van Havensteder als toegelaten instelling en de leefbaarheid in de omgeving werd meegewogen.
De rechtbank ontbond de huurovereenkomst voor de woning en de gekoppelde parkeerplaats, veroordeelde de huurder tot ontruiming binnen veertien dagen na betekening en veroordeelde hem in de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurder veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen.