De man verzocht de rechtbank Rotterdam om de beschikking van 7 oktober 2016 te wijzigen en de kinderbijdrage met ingang van 7 oktober 2016 op nihil te stellen, dan wel vanaf 1 juli 2021 te verminderen tot het bedrag dat hij feitelijk heeft voldaan. Tevens vroeg hij kwijtschelding van de achterstand. De vrouw heeft geen verweer gevoerd.
De rechtbank stelde vast dat de man en vrouw ouders zijn van twee minderjarige kinderen, en dat de man de kinderen heeft erkend. De rechtbank overwoog dat de man een wijziging van omstandigheden had gesteld, namelijk dat zijn draagkracht was verminderd doordat hij vanaf 30 juni 2021 een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt.
De rechtbank oordeelde dat de man niet had aangetoond dat zijn draagkracht vanaf 7 oktober 2016 nihil was, noch dat bijzondere omstandigheden bestonden die een lagere bijdrage dan het minimum rechtvaardigen. Volgens de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen geldt een minimum draagkracht van €25 per maand per kind voor een ouder met een Participatiewetuitkering.
Daarom werd het verzoek tot nihilstelling afgewezen, maar de kinderbijdrage vanaf 1 juli 2021 wel vastgesteld op €25 per maand per kind. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open.