Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring om voorrang te krijgen bij het verkrijgen van woonruimte in de regio Rotterdam. Deze aanvraag is door het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland afgewezen omdat verzoeker niet voldoet aan de reguliere urgentiegronden en er geen bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene omstandigheden zijn die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.
Verzoeker voert aan dat hij vanwege ernstig huiselijk geweld en gezondheidsproblemen (PTSS en COPD) zijn studentenwoning moest verlaten en noodgedwongen weer bij zijn ouders is gaan wonen, waar de situatie niet verbeterd is en psychische schade dreigt. Hij heeft ter onderbouwing medische en maatschappelijke verklaringen overgelegd.
De voorzieningenrechter erkent het schrijnende karakter van de situatie, maar oordeelt dat dit niet afwijkt van de situatie van veel andere woningzoekenden in de regio met schaarste aan sociale huurwoningen. Verzoeker had eerder zelfstandige woonruimte en heeft onvoldoende aangetoond dat hij niet zelf meer verantwoordelijkheid kan nemen voor een alternatieve oplossing. Ook is niet gebleken dat hij de geboden alternatieven heeft onderzocht.
De rechtbank concludeert dat het college in redelijkheid heeft besloten de hardheidsclausule niet toe te passen en dat het bestreden besluit naar verwachting in stand kan blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.