De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van het kind voor twaalf maanden en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een pleegzorgvoorziening voor zes maanden. Het kind verblijft in een neutraal crisispleeggezin en is getuige geweest van huiselijk geweld tussen de ouders.
De moeder kampt met psychische problematiek en middelengebruik, is overbelast en kan het kind momenteel niet de benodigde structuur bieden. De vader werkt fulltime, heeft een belast verleden en volgt een behandeling bij Fivoor. Het kind vertoont zorgelijk gedrag en een achterstand in taalontwikkeling.
De kinderrechter oordeelt dat het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende effect heeft gehad. Daarom wordt het kind onder toezicht gesteld en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd. Het perspectief op terugplaatsing bij de moeder hangt af van haar succesvolle afronding van een detox- en psychiatrische behandeling. De GI onderzoekt alternatieve plaatsingsmogelijkheden zoals netwerkpleeggezin of plaatsing bij de vader.