ECLI:NL:RBROT:2021:9444
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing ondertoezichtstelling wegens onbekende verblijfplaats kinderen
De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot opheffing van de ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen, die sinds oktober 2020 onder toezicht staan vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling.
De kinderen verblijven op een onbekende plek in het buitenland, en het is de GI niet gelukt contact met hen of hun ouders te leggen. De Raad voor de Kinderbescherming is van mening dat de ondertoezichtstelling moet blijven voortduren zolang de verblijfplaats onbekend is, zodat er ingegrepen kan worden zodra zicht ontstaat.
De kinderrechter beoordeelt de rechtsmacht en verklaart zich bevoegd, ondanks het internationale karakter van de zaak, vanwege sterke aanknopingspunten met Nederland zoals de Nederlandse nationaliteit van de kinderen en het eerdere toezichtbesluit.
De kinderrechter oordeelt dat de gronden voor ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn, gezien de voortdurende bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen en het ontbreken van zicht op hun verblijfplaats. Het verzoek tot opheffing wordt daarom afgewezen. De GI wordt aangespoord zich te blijven inspannen om zicht te krijgen op de kinderen en hun ouders, onder meer via internationale meldingen.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen vanwege voortdurende bedreiging van de ontwikkeling en onbekende verblijfplaats van de kinderen.