Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..De procedure
- de gemeente Rotterdam;
- de heer [persoon A] , vertegenwoordigd door Advocatenkantoor Van Ommeren
- verzoekster;
- mevrouw [persoon B] , werkzaam bij de [naam bank]
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287a Faillissementswet om drie schuldeisers te dwingen in te stemmen met een door haar aangeboden schuldregeling, omdat deze schuldeisers niet vrijwillig wilden meewerken. Het akkoord voorziet in een uitkering van 8,99% aan preferente en 4,49% aan concurrente schuldeisers, gebaseerd op haar beperkte afloscapaciteit vanwege gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid.
De gemeente Rotterdam, een persoon en Uitvaartcentrum Zuid hebben verweer gevoerd, waarbij zij stelden dat de vorderingen niet te goeder trouw zijn ontstaan en dat zij niet akkoord kunnen gaan met het voorstel. De rechtbank oordeelt dat hoewel de vorderingen niet te goeder trouw zijn, dit geen reden is om het verzoek af te wijzen gezien de stabiele financiële situatie van verzoekster en de belangen van de overige schuldeisers.
De rechtbank weegt de belangen en concludeert dat het belang van verzoekster en de instemmende schuldeisers zwaarder weegt dan dat van de weigeraars. Daarom beveelt zij de schuldeisers in te stemmen met het akkoord, verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af.
Uitkomst: De rechtbank beveelt drie schuldeisers in te stemmen met de schuldregeling en wijst het subsidiaire verzoek tot schuldsaneringsregeling af.