Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een schuldenlast van €217.572,69. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekster niet in staat is om rond te komen en vreest dat zij de verplichtingen uit de regeling niet zal nakomen, met name de verplichting om geen nieuwe bovenmatige schulden te laten ontstaan.
De rechtbank beoordeelt dat verzoekster niet te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Dit blijkt onder meer uit het niet tijdig indienen van belastingaangiften en het niet reserveren van gelden voor belastingschulden. Diverse schulden aan de Belastingdienst betreffen ten onrechte ontvangen toeslagen en onbetaalde belastingen over meerdere jaren.
Hoewel verzoekster sinds november 2020 in budgetbeheer zit en sinds december 2020 in loondienst werkt, acht de rechtbank deze ontwikkelingen onvoldoende bestendig om nu tot toelating over te gaan. De ernst en omvang van de schulden en het gebrek aan goede trouw leiden tot afwijzing van het verzoek. De rechtbank merkt op dat een toekomstig verzoek mogelijk meer kans van slagen heeft als de situatie verbetert.