ECLI:NL:RBROT:2021:9278

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 september 2021
Publicatiedatum
28 september 2021
Zaaknummer
FT EA 21-803
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FaillissementswetArt. 285 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een schuldenlast van €217.572,69. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekster niet in staat is om rond te komen en vreest dat zij de verplichtingen uit de regeling niet zal nakomen, met name de verplichting om geen nieuwe bovenmatige schulden te laten ontstaan.

De rechtbank beoordeelt dat verzoekster niet te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Dit blijkt onder meer uit het niet tijdig indienen van belastingaangiften en het niet reserveren van gelden voor belastingschulden. Diverse schulden aan de Belastingdienst betreffen ten onrechte ontvangen toeslagen en onbetaalde belastingen over meerdere jaren.

Hoewel verzoekster sinds november 2020 in budgetbeheer zit en sinds december 2020 in loondienst werkt, acht de rechtbank deze ontwikkelingen onvoldoende bestendig om nu tot toelating over te gaan. De ernst en omvang van de schulden en het gebrek aan goede trouw leiden tot afwijzing van het verzoek. De rechtbank merkt op dat een toekomstig verzoek mogelijk meer kans van slagen heeft als de situatie verbetert.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende aannemelijkheid dat verplichtingen worden nagekomen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 15 september 2021
[verzoekster],
[adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1..De procedure

Verzoekster heeft op 25 juni 2021 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster en mevrouw [naam persoon] , schuldhulpverlening, zijn gehoord ter terechtzitting van 8 september 2021.

2..De feiten

Verzoekster ontvangt inkomsten uit arbeid. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet Pro € 217.572,69.

3..De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Verzoekster heeft diverse schulden aan de Belastingdienst met een totaalbedrag van
€ 64.815,70. Op het schuldoverzicht van de Belastingdienst is te zien dat een deel van de schulden onder andere betrekking heeft op ten onrechte ontvangen kindergebonden budget over de jaren 2016, 2018 en 2019. Een ander deel van de schulden heeft betrekking op ten onrechte ontvangen zorgtoeslag over de jaren 2018 en 2019. Verder heeft een deel van de schulden betrekking op het onbetaald laten van de inkomstenbelasting en de bijdrage zorgverzekeringswet over de jaren 2016 tot en met 2019. Naar het oordeel van de rechtbank is het de verantwoordelijkheid van verzoekster om er voor zorg te dragen dat de Belastingdienst juist en volledig is geïnformeerd. Verzoekster heeft dit niet gedaan. Verder is gebleken dat verzoekster als onderneemster in de periode 2016 tot en met 2018 niet tijdig aangiften inkomstenbelasting heeft ingediend, maar dat pas in maart 2021 (over het jaar 2017) en in december 2020 (over de jaren 2018 en 2019) heeft gedaan.
Verzoekster heeft ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat haar ten aanzien van het verstrekken van de juiste gegevens geen verwijt treft. Ter zitting is gebleken dat verzoekster in de voornoemde periode voldoende inkomsten heeft gegenereerd, maar deze niet heeft besteed aan het betalen van haar belastingschulden. Voorts valt het verzoekster te verwijten dat het bedrag niet door haar is gereserveerd zodat dit betaald had kunnen worden. Aldus zijn deze schulden niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten.
Verzoekster heeft in de periode van 2017 tot en met 2020 voor een bedrag van in totaal € 23.545,84 schulden in haar vaste lasten laten ontstaan. Het betreft hier een schuld aan:
  • Woonbron van € 15.964,33, ontstaan op 1 november 2019;
  • SVHW van € 732,12, ontstaan op 1 januari 2019;
  • NLE van € 1.658,75, ontstaan op 6 april 2017;
  • Stedin B.V. van € 182,17, ontstaan op 13 juli 2018;
  • Gemeente Belastingen Rotterdam van € 2.061,54, ontstaan op 1 januari 2017;
  • Tele2 Nederland B.V. van € 754,31, ontstaan op 2 januari 2020;
  • Essent Retail B.V. van € 1.160,10, ontstaan op 12 september 2017;
  • Energiedirect van € 1.032,52, ontstaan op 9 mei 2017.
Desgevraagd heeft verzoekster verklaard niet te kunnen rondkomen. Zij moest naar eigen zeggen op een gegeven moment het ene gat met het andere vullen. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop gevreesd moet worden dat verzoekster de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren zal kunnen nakomen, meer in het bijzonder de verplichting om geen nieuwe bovenmatige schulden te laten ontstaan.
Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. De rechtbank merkt op dat het een goede ontwikkeling is dat verzoekster sinds november 2020 in budgetbeheer zit. Verder is ter zitting gebleken dat verzoekster vanaf december 2020 niet meer als ZZP’er werkzaam is, maar dat zij sindsdien in loondienst 32 uur per week in de zorg werkt. Dit zorgt mogelijk voor meer stabiliteit in de financiën van verzoekster. Voorts heeft verzoekster ter zitting verklaard dat zij nog geen aangifte heeft gedaan ten aanzien van de inkomstenbelasting over het jaar 2020, maar dat zij van plan is dit op korte termijn te doen, zodat zij dit keer tijdig aan haar fiscale verplichting kan voldoen. Verzoekster is aldus op de goede weg. Deze ontwikkelingen hebben zich echter pas recent voorgedaan. Al het voorgaande in aanmerking genomen, en mede met het oog op de ernst en de totale hoogte van de schulden die naar het oordeel van de rechtbank niet te goeder trouw zijn ontstaan, althans onbetaald zijn gebleven, oordeelt de rechtbank echter dat deze ontwikkelingen onvoldoende (althans onvoldoende bestendig van aard) zijn om een toelating tot de schuldsaneringsregeling op dit moment te rechtvaardigen. Indien het leven van verzoekster zich (verder) stabiliseert zal een volgend verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling mogelijk meer kans van slagen hebben.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4..De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van S. Caciano, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 september 2021. [1]