ECLI:NL:RBROT:2021:9254

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 september 2021
Publicatiedatum
28 september 2021
Zaaknummer
FT EA 21-878 en FT EA 21-879
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a FaillissementswetArt. 284 FaillissementswetArt. 301 lid 3 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot dwangakkoord en afwijzing subsidiair verzoek schuldsaneringsregeling

Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, waarbij zij een percentage van haar totale schuldenlast in één keer wil aflossen met behulp van een saneringskrediet. Vijf schuldeisers stemden in met het voorstel, maar de Maas Delta Groep weigerde mee te werken. Verzoekster is arbeidsongeschikt en onder beschermingsbewind gesteld, waardoor haar financiële situatie stabiel maar beperkt is.

De Maas Delta Groep stelde dat zij al eerder finale kwijting had verleend en dat zij beschikt over een executoriale titel, waardoor zij een groter bedrag kan incasseren. De rechtbank oordeelde dat de vordering een nieuwe vordering betreft en dat de executoriale titel geen uitkomst biedt bij toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

De rechtbank stelde vast dat het voorstel goed onderbouwd is, het uiterste is wat verzoekster kan bieden en dat haar persoonlijke omstandigheden het vinden van werk bemoeilijken. De belangen van verzoekster en de andere schuldeisers wegen zwaarder dan het belang van de Maas Delta Groep bij weigering. Daarom werd het verzoek tot dwangakkoord toegewezen en het subsidiaire verzoek tot schuldsaneringsregeling afgewezen.

De Maas Delta Groep werd veroordeeld in de proceskosten, die nihil werden begroot omdat er geen griffierecht verschuldigd was en verzoekster niet door een advocaat werd bijgestaan. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en treedt in de plaats van vrijwillige instemming.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de Maas Delta Groep mee te werken aan de schuldregeling en wijst het subsidiaire verzoek tot schuldsaneringsregeling af.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]
uitspraakdatum: 14 september 2021
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1..De procedure

Verzoekster heeft op 9 juli 2021, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om de stichting Stichting Maas Delta Groep, vertegenwoordigd door GGN Mastering Credit (hierna: de Maas Delta Groep), die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
De Maas Delta Groep heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 7 september 2021 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mevrouw [naam persoon] , werkzaam bij [naam bank] (hierna: schuldhulpverlening);
  • de heer D. Kindermans en mevrouw C. Demirturk, werkzaam bij Budget- en Beschermingsbewind Zuid- Hollandse Eilanden B.V., (hierna: beschermingsbewindvoerder).
De Maas Delta Groep heeft in haar schriftelijk verweer kenbaar gemaakt niet ter zitting te zullen verschijnen.
Per emailberichten van 10, 13 en 14 september 2021 heeft verzoekster ̶ naar aanleiding van wat ter zitting is besproken ̶ enkele schriftelijke stukken aan de rechtbank toegezonden.
De uitspraak is bepaald op heden.

2..Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift zes schuldeisers, waarvan één preferente en vijf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 29.004,20 van verzoekster te vorderen.
Verzoekster heeft bij brief van 18 maart 2021 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 6,62% aan de preferente schuldeisers en 3,31% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Ten tijde van het aanbod bedroeg de schuldenlast € 28.640,=.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.
De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm.
De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. Verzoekster is voor 16 uur per week arbeidsongeschikt verklaard. De uitkerende instantie heeft aan verzoekster de verplichting opgelegd om twee dagdelen per week vrijwilligerswerk te verrichten.
Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd.
Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar beschermingsbewindvoerder voldaan.
De Maas Delta Groep stemt als enige schudeiser niet met het aanbod van verzoekster in. In het verzoekschrift is vermeld dat zij een vordering van € 4.023,87 op verzoekster heeft, welke 13,87% van de totale schuldenlast beloopt. Uit het door verzoekster nagezonden overzicht van de Maas Delta Groep blijkt dat de vordering thans € 3.994,26 bedraagt en 13,77% van de totale schuldenlast beloopt.
Verzoekster heeft ter zitting gesteld dat diverse omstandigheden in de weg staan aan het vinden van betaald werk. Ze heeft aangegeven hartpatiënt te zijn en door haar rug te zijn gegaan en haar rug versleten is. Verder heeft zij verklaard begin 2019 te zijn gestopt met werken als postbezorger omdat haar gezondheidssituatie verslechterde. Verzoekster heeft aangegeven onder behandeling te hebben gestaan van een psycholoog en thans antidepressiva te gebruiken vanwege (rouw)klachten die zijn ontstaan naar aanleiding van het overlijden van haar moeder. De nagestuurde stukken bevestigen dat verzoekster hartproblemen heeft en zij daarvoor nog altijd medicijnen gebruikt.
Ter zitting heeft schuldhulpverlening aangegeven dat verzoekster door haar medische- en psychische beperkingen niet goed in staat is om haar eigen zaken waar te nemen. Hierdoor is de kans dat verzoekster betaald werk zal vinden volgens schuldhulpverlening klein. Voorts heeft schuldhulpverlening aangegeven dat nog geen datum bekend voor een eventuele herbeoordeling maar dat het gebruikelijk is dat die na aan jaar plaats vindt.
De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting aangegeven dat het moeilijk is om contact te krijgen met verzoekster en ̶ als er contact is ̶ ze aangeeft het gesprek niet goed te begrijpen. Het heeft de beschermingsbewindvoerder grote moeite gekost om verzoekster mee te krijgen naar de zitting. Zij komt het huis bijna niet uit, als gevolg van haar psychische problemen.

3..Het verweer

In haar verweerschrift heeft de Maas Delta Groep gesteld dat zij al eerder finale kwijting heft verleend aan verzoekster in het kader van een minnelijks schuldsaneringsregeling in 2015, waardoor zij € 3.000 van haar toenmalige vordering heeft moeten afboeken. Een tweede afboeking zou een onwenselijke situatie opleveren ten opzichte van de huurders die wel op tijd hun huur betalen, aldus de Maas Delta Groep.
Voorts heeft de Maas Delta Groep aangevoerd dat zij beschikt over een executoriale titel. Hierdoor heeft zij de mogelijkheid om een groter deel van de vordering te incasseren dan hetgeen haar middels het onderhavige minnelijke voorstel is aangeboden.

4..De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van de Maas Delta Groep bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of de Maas Delta Groep in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van de Maas Delta Groep een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 13,78%. De vijf andere schuldeisers zijn allen met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten de Kredietbank Rotterdam. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster niet beschikt over betaald werk. Verzoekster is op 7 december 2020 voor 45% arbeidsongeschikt verklaard door haar uitkerende instantie, op grond van het advies van de GGD uit 2018. Voldoende aannemelijk geworden dat – mede op basis van het verhandelede ter zitting en de nagezonden stukken – zij ook in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan haar huidige inkomen.
Ten aanzien van hetgeen de Maas Delta Groep heeft aangevoerd, namelijk dat zij al eerder (in april 2015) finale kwijting heeft verleend voor een vordering op verzoekster, stelt de rechtbank op basis van het verhandelde ter zitting en de nader aangeleverde stukken vast dat de onderhavige vordering een nieuwe vordering van de Maasdelta Groep op verzoeker betreft (van na 2015). De vordering waarvoor destijds finale kwijting is verleend, betreft een andere vordering.
Voorts overweegt de rechtbank dat de executoriale titel van de Maas Delta Groep ook geen uitkomst meer zal bieden voor de Maas Delta Groep indien verzoekster wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, zoals subsidiair verzocht. Uit artikel 301 lid 3 van Pro de Faillissementswet vloeit immers voort dat alle gelegde beslagen komen te vervallen, met ingang van de dag waarop toepassing van de schuldsaneringsregeling is uitgesproken.
Aannemelijk is voorts, dat de rechtbank verzoekster bij afwijzing van het primaire verzoek, zou toelaten tot de schuldsaneringsregeling (zoals subsidiair verzocht). De rechtbank neemt hierbij in overweging: de aard en omvang van de (overige) schulden, de persoonlijke omstandigheden van verzoekster, het feit dat zij onder beschermingsbewind is gesteld en de omstandigheid dat haar financiële situatie al enige tijd stabiel is.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht.
Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.
Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van de Maas Delta Groep, die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om de Maas Delta Groep te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
De Maas Delta Groep zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5..De beslissing

De rechtbank:
- beveelt de Maas Delta Groep om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt de Maas Delta Groep in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van mr. K. de Ridder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 september 2021. [1]
De griffier is buiten staat dit vonnis
mede te ondertekenen

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.