Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..De procedure
- verzoekster;
- mevrouw [naam persoon] , werkzaam bij [naam bank] (hierna: schuldhulpverlening).
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om de gemeente Rotterdam te bevelen mee te werken aan een schuldregeling, nadat de gemeente weigerde in te stemmen met het aangeboden akkoord. De schuldregeling betrof een bedrag van circa €88.583, waarvan de gemeente een vordering van ongeveer €7.838 had, en het akkoord voorzag in een betaling van een klein percentage aan preferente en concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
De gemeente Rotterdam beriep zich op artikel 60c Participatiewet en haar weigering om mee te werken aan schuldregelingen voor vorderingen die niet te goeder trouw zijn ontstaan. De rechtbank oordeelde echter dat artikel 287a Fw de rechtbank de bevoegdheid geeft om de gemeente te bevelen in te stemmen na belangenafweging. De rechtbank stelde vast dat de vordering van de gemeente slechts een klein deel van de totale schuldenlast uitmaakt en dat het akkoord door een deskundige partij was getoetst.
Verder werd vastgesteld dat verzoekster onder budgetbeheer staat, geen nieuwe schulden maakt, en dat er voldoende waarborgen zijn dat compensatie aan schuldeisers zal plaatsvinden indien verzoekster als gedupeerde kinderopvangtoeslag wordt erkend. De rechtbank concludeerde dat de belangen van verzoekster en de overige schuldeisers zwaarder wegen dan die van de gemeente Rotterdam en wees het verzoek toe. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank beveelt de gemeente Rotterdam in te stemmen met de schuldregeling en wijst het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af.