Op 26 januari 2017 sloten partijen een bemiddelingsovereenkomst waarbij RSF bemiddelde tussen opdrachtgevers en gedaagde als beveiliger. Gedaagde was gehouden een maandelijks honorarium van €300 exclusief btw te betalen. De overeenkomst eindigde op 30 september 2019.
RSF vorderde betaling van het openstaande honorarium over augustus 2017 tot en met september 2019, plus kosten voor examens, toetsen en keuringen, buitengerechtelijke incassokosten en rente. Gedaagde voerde aan dat de vergoeding buitensporig en onredelijk was, mede omdat hij de overeenkomst in 2018 had opgezegd.
De rechtbank oordeelde dat gedaagde niet heeft betwist dat de overeenkomst pas in september 2019 eindigde en ook de hoogte van de bedragen niet. Het verweer dat de vergoeding onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid faalde, omdat gedaagde niet aannemelijk maakte dat RSF haar verplichtingen niet was nagekomen. De gevorderde hoofdsom, incassokosten en wettelijke rente werden toegewezen, met uitzondering van rente over incassokosten en rente over rente wegens onvoldoende onderbouwing.
Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van €11.736,45 plus wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 19 februari 2021 en in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.