Verzoekers hebben een verzoek ingediend op grond van artikel 287a Faillissementswet om twee schuldeisers te dwingen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. De regeling voorziet in een gedeeltelijke betaling aan schuldeisers, gebaseerd op de NVVK-norm en de voortzetting van een Participatiewet-uitkering. Acht schuldeisers stemden in, twee schuldeisers, samen goed voor bijna 63% van de schuldenlast, weigerden.
De rechtbank overweegt dat schuldeisers in beginsel recht hebben op volledige betaling van hun vorderingen. De vraag is of de weigering van deze schuldeisers onredelijk is, gelet op de belangen van verzoekers en overige schuldeisers. De rechtbank stelt vast dat verzoekers geen medische stukken hebben overgelegd die arbeidsongeschiktheid aantonen en dat zij geen inspanningen hebben getoond om betaald werk te vinden.
Daarmee is onvoldoende aannemelijk dat de afloscapaciteit van verzoekers maximaal is en dat het aanbod het uiterste is wat zij kunnen bieden. Gezien het substantiële aandeel van de weigeraars in de schuldenlast weegt hun belang zwaarder. Het verzoek om gedwongen schuldregeling wordt daarom afgewezen. De rechtbank zal later beslissen over het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.