ECLI:NL:RBROT:2021:899

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 januari 2021
Publicatiedatum
5 februari 2021
Zaaknummer
C/10/610902 / FA RK 21-33
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 WvggzTijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing zorgmachtiging wegens onvoldoende onderbouwing telefonisch psychiatrisch onderzoek

De officier van justitie verzocht de rechtbank Rotterdam om een zorgmachtiging te verlenen op grond van artikel 6:4 Wvggz Pro voor betrokkene. De procedure omvatte een schriftelijk verzoek, medische verklaringen en een mondelinge behandeling op 25 januari 2021, waarbij betrokkene, zijn advocaat en een verpleegkundige via beeld- en geluidverbinding werden gehoord.

De onafhankelijke psychiater had betrokkene telefonisch onderzocht vanwege COVID-19 maatregelen, maar gaf onvoldoende motivatie waarom een fysiek onderzoek niet mogelijk was. De advocaat betoogde dat de Hoge Raad vereist dat onderzoek in principe fysiek dient plaats te vinden en dat een telefonische beoordeling alleen bij zwaarwegende redenen is toegestaan. De rechtbank stelde vast dat de medische verklaring onvoldoende inzicht gaf in de specifieke situatie van betrokkene en de afwegingen omtrent alternatieven zoals beeldbellen.

De rechtbank concludeerde dat de verklaring niet voldoet aan de wettelijke en jurisprudentiële eisen en wees het verzoek tot zorgmachtiging af. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: Het verzoek tot zorgmachtiging wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van het telefonisch psychiatrisch onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/610902 / FA RK 21-33
Betrokkenenummer: [nummer]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 25 januari 2021 betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[naam betrokkene],
geboren op [geboortedatum betrokkene] te [geboorteplaats betrokkene] ,
hierna: betrokkene,
wonende en verblijvende aan de [adres betrokkene] , [postcode betrokkene] te [woonplaats betrokkene] ,
advocaat mr. L.C. Baars te Schiedam.

1..Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 5 januari 2021, en het proces-verbaal van deze rechtbank van
18 januari 2021.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- de medische verklaring opgesteld door [naam psychiater] , psychiater, van
23 december 2020;
  • de zorgkaart van 16 november 2020;
  • het zorgplan van 30 oktober 2020;
  • de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;
  • de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz;
  • de strafvorderlijke- en justitiële gegevens van betrokkene;
  • het bericht dat er geen relevante politiegegevens van betrokkene bekend zijn.
1.2.
De mondelinge behandeling van het bij voormeld proces-verbaal aangehouden verzoek heeft plaatsgevonden op 25 januari 2021.
Bij die gelegenheid zijn (overeenkomstig artikel 2 lid 1 van Pro de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid) via beeld- en geluidverbinding gehoord:
  • betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;
  • [naam verpleegkundige] , verpleegkundige, verbonden aan Antes.
1.3.
De officier is niet gehoord, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.

2..Beoordeling

2.1.
Uit de medische verklaring blijkt dat de onafhankelijk psychiater zonder nadere toelichting het onderzoek telefonisch heeft uitgevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling van 18 januari 2021 heeft de advocaat primair verzocht om het verzoek af te wijzen, en subsidiair om aanhouding in afwachting van een nieuwe verklaring van de psychiater. Bij proces-verbaal van 18 januari 2021 heeft deze rechtbank het verzoek aangehouden en de psychiater in de gelegenheid gesteld om betrokkene alsnog in zijn aanwezigheid te beoordelen of, indien dat redelijkerwijs niet mogelijk of verantwoord is, toe te lichten waarom het onderzoek niet in fysieke aanwezigheid van betrokkene heeft plaatsgevonden, conform de uitspraak van de Hoge Raad van 25 september 2020. De rechtbank heeft de psychiater verzocht om uiterlijk op 22 januari 2021 om 12.00 uur een (aanvullende) verklaring te doen toekomen.
2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 25 januari 2021 heeft de verpleegkundige verklaard dat de onafhankelijk psychiater op 24 januari 2021 om 15.45 uur een verklaring heeft gemaild naar deze rechtbank. Aangezien de rechter en de advocaat deze verklaring nog niet hebben gezien, heeft de verpleegkundige de inhoud voorgelezen. De onafhankelijk psychiater laat in de verklaring weten: “Betrokkene is telefonisch onderzocht, omdat gezien de huidige Corona Pandemie binnen onze organisatie zorgvuldig wordt gewogen of contacten per se face to face dienen plaats te vinden, of om de gezondheid van betrokkenen te beschermen (door de kans op besmetting op deze manier zo laag mogelijk te houden) het contact ook telefonisch kan plaatsvinden. In de afweging, ook omdat het onderzoek voor de eerdere zorgmachtiging begin dit jaar ook telefonisch had plaatsgevonden, is besloten dat een telefonische beoordeling goed mogelijk was en een face to face ( met zoals eerder genoemd de besmettingsrisico’s van dien) beoordeling niet per se noodzakelijk was”.
De advocaat is bij zijn standpunt gebleven dat een telefonisch onderzoek afwijkt van het door de Hoge Raad bevestigde uitganspunt van een onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene, en dat de reden voor een telefonisch onderzoek in de medische verklaring toegelicht moet worden. De advocaat is teleurgesteld dat hij de nagestuurde verklaring niet heeft ontvangen en gelezen, en ziet in de gebleken inhoud daarvan onvoldoende verantwoording voor een telefonisch onderzoek. De advocaat heeft aangegeven dat er een jaar is verstreken sinds de eerste corona-uitbraak en dat er inmiddels alternatieven voor huisbezoeken bestaan, zoals beeldbellen en speciaal ingerichte spreekkamers. De advocaat heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat de psychiater niet heeft gehandeld zoals redelijkerwijs van hem verwacht kon worden en heeft gepleit voor afwijzing van het verzoek. De verpleegkundige heeft bevestigd dat het huidige beleid is gericht op het voorkomen van huisbezoeken in verband met de coronapandemie, maar dat wel gesprekken op kantoor plaatsvinden. Betrokkene heeft verklaard dat hij daarvoor geen uitnodiging heeft ontvangen. Wel heeft betrokkene een aantal maanden geleden een face-to-facegesprek gehad met zijn behandelend psychiater op een locatie van de zorgverantwoordelijke.
2.3.
De Hoge Raad heeft in haar uitspraak van 25 september 2020 samenvattend onder meer overwogen: dat de oude rechtspraak in het kader van de Wet Bopz met betrekking tot de wijze waarop het onderzoek van een betrokkene met het oog op de door de psychiater af te geven geneeskundige verklaring dient plaats te vinden, onder de Wvggz zijn betekenis heeft behouden. Dit houdt in dat de psychiater het in die wet voor de diverse vormen van verplichte zorg voorgeschreven medische onderzoek in beginsel aldus dient te verrichten dat hij de betrokkene in een direct contact, dat wil zeggen: in diens fysieke aanwezigheid, spreekt en observeert. Dit is slechts anders indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om een weigering van de betrokkene om aan een onderzoek mee te werken, maar ook andere omstandigheden kunnen meebrengen dat onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene niet of slechts beperkt mogelijk is. In die gevallen zal, met het oog op de beoogde maatregel, steeds op de best mogelijke manier moeten worden getracht inzicht te verkrijgen in de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene en de noodzaak tot het treffen van de beoogde maatregel.
Volgens de Hoge Raad kunnen de in verband met COVID-19 getroffen maatregelen meebrengen dat een onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene door de psychiater die de medische verklaring dient op te stellen, redelijkerwijs niet mogelijk of niet verantwoord is. In dat geval zal moeten worden gekozen voor een alternatief voor persoonlijk contact dat in de gegeven omstandigheden wel mogelijk is en dat zo veel mogelijk recht doet aan de belangen van de betrokkene. Daarbij verdient contact door middel van een tweezijdige beeld- en geluidsverbinding de voorkeur boven uitsluitend een tweezijdige geluidsverbinding.
De psychiater zal in zijn medische verklaring moeten verantwoorden waarom onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk of niet verantwoord is, voor welk alternatief hij heeft gekozen, en op welke gronden hij tot de slotsom is gekomen dat aan de vereisten voor verlening van verplichte zorg is voldaan. De rechtbank zal vervolgens moeten beoordelen of de verzochte machtiging op grond van de medische verklaring kan worden verleend. Daarbij kan een rol spelen dat ten aanzien van de betrokkene sprake is van een crisissituatie, die – in de eerste plaats in het belang van de betrokkene zelf – zo spoedig mogelijk moet worden beëindigd.
2.4.
Gelet op genoemde uitspraak en het tijdens de mondelinge behandeling van 18 januari 2021 verzochte, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de psychiater onvoldoende is. De psychiater heeft in zijn algemeenheid verwezen naar een intern afwegingskader, zonder in te gaan op de situatie van betrokkene en de alternatieve mogelijkheden voor een huisbezoek anders dan een tweezijdige geluidsverbinding. Daarbij valt op dat het interne afwegingskader lijkt uit te gaan van “geen face-to-face-contact tenzij” hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet in overeenstemming is met de strekking van genoemd arrest. Ook ontbreekt in de medische verklaring de verantwoording waarom een onderzoek in persoon niet mogelijk was. De aanvullende schriftelijke verklaring van de psychiater geeft geen onvoldoende inzicht waarom in dit specifieke geval is gekozen voor de minst gewenste oplossing namelijk een tweezijdige geluidsverbinding. Dat er bij betrokkene een jaar eerder een telefonisch onderzoek is verricht, is onvoldoende verantwoording hiervoor.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de medische verklaring niet voldoet aan de door de wet en rechtspraak gestelde vereisten. De rechtbank bepaalt dat het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging wordt afgewezen.

3..Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 25 januari 2021 mondeling gegeven door mr. H.C.A. de Groot, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.C.A. van 't Zelfde, griffier, en op 1 februari 2021 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.