ECLI:NL:RBROT:2021:8961
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering en boete in bijstandszaak na herstel besluit
In deze bestuursrechtelijke zaak stond de terugvordering van bijstandsgelden centraal, waarbij eisers bezwaar maakten tegen het besluit van de gemeente Rotterdam. De rechtbank verwees naar een eerdere tussenuitspraak waarin een gebrek in het besluit van 16 november 2020 werd vastgesteld en verweerder in de gelegenheid werd gesteld dit te herstellen.
Verweerder heeft het besluit aangepast door de netto terugvordering te verlagen tot €4.070,06 en de brutering te verlagen naar €804,05, waarbij de bedragen van €5.000 en €3.000 niet langer als middelen werden aangemerkt. Eisers konden echter niet aannemelijk maken dat de berekening onjuist was en voerden onvoldoende concrete gronden aan tegen de overige mutaties.
De rechtbank oordeelde dat eisers hun inlichtingenplicht hadden geschonden, waardoor terugvordering en boete terecht waren opgelegd. De bezwaren tegen de hoogte van de boete en de brutering faalden. Ook de stelling dat bezwaarprocedures ten onrechte als samenhangende zaken werden aangemerkt, werd verworpen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde verweerder in de proceskosten van €1.978,96 en bepaalde dat het griffierecht van €48 aan eisers moet worden vergoed. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan eisers te vergoeden.