Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2021:8926

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 september 2021
Publicatiedatum
14 september 2021
Zaaknummer
C/10/623104 / KG ZA 21-667
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 lid 2 RvArt. 430 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vordering tot schorsing tenuitvoerlegging voorlopige zorgregeling

Partijen, ouders van een minderjarige, hebben een voorlopige zorgregeling waarbij de man omgang heeft met het kind op bepaalde dagen. De vrouw vordert schorsing van de tenuitvoerlegging van deze regeling totdat het hoger beroep is beslist.

De rechtbank stelt vast dat het vonnis van 28 juli 2021 niet is betekend en dat er geen dwangmiddelen aan het niet-nakomen van de zorgregeling zijn verbonden. Hierdoor is er geen sprake van een dreigende tenuitvoerlegging die een executiegeschil rechtvaardigt.

De vrouw wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is gewezen door mr. D.Y.A. van Meersbergen en op 1 september 2021 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de voorlopige zorgregeling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
zaaknummer / rolnummer: C/10/623104 / KG ZA 21-667
Vonnis in kort geding van 1 september 2021
in de zaak van
[naam eiseres],
wonende op een geheim adres,
eiseres,
advocaat mr. S. Rahimzadeh te Amsterdam,
tegen
[naam gedaagde],
wonende te [woonplaats gedaagde],
gedaagde,
advocaat mr. P.A. van Lange te Rotterdam.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1..De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties van 10 augustus 2021;
  • de pleitaantekeningen van de man.
1.2.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 18 augustus 2021.
Bij die gelegenheid zijn verschenen:
- de vrouw met haar advocaat,
- de advocaat van de man,
- de raad voor de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door [naam].
De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2..De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
2.2.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[naam kind], geboren op [geboortedatum kind] 2019 te [geboorteplaats kind].
2.3.
Partijen oefenen het gezamenlijk gezag uit over de minderjarige.
2.4.
De minderjarige heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
2.5.
Bij vonnis in kort geding van 28 juli 2021 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de zorgregeling voorlopig als volgt zal zijn:
de man heeft omgang met de minderjarige elke woensdag (of in onderling overleg op een andere doordeweekse dag) van 12.00 uur tot 16.00 uur en elke zaterdag (of in onderling overleg op zondag) van 12.00 uur tot 16.00 uur, waarbij de vrouw de minderjarige naar de man in [woonplaats gedaagde] brengt en haar weer ophaalt.
2.6.
De vrouw heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag.

3..Het geschil

3.1.
De vrouw vordert de in voormeld vonnis van de voorzieningenrechter van 28 juli 2021 opgenomen verklaring tot uitvoerbaarheid bij voorraad te schorsen, totdat het gerechtshof Den Haag heeft beslist op het ingestelde hoger beroep.
3.2.
De man voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4..De beoordeling

4.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 438 lid 2 Rv Pro kan de voorzieningenrechter op vordering de executie van een vonnis schorsen voor een bepaalde tijd of totdat op het geschil zal zijn beslist. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026) kan de partij ten laste van wie de tenuitvoerlegging dreigt of wordt aangevangen een dergelijk executiegeschil aanhangig maken bij de voorzieningenrechter. Een eventueel ingesteld hoger beroep staat daaraan niet in de weg.
4.2.
Vaststaat dat de tenuitvoerlegging in onderhavig geval niet reeds is aangevangen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is evenmin sprake van een dreigende tenuitvoerlegging van het vonnis. Tijdens de mondelinge behandeling is komen vast te staan dat voormeld vonnis van 28 juli 2021 niet is betekend. Op grond van artikel 430 lid 3 Rv Pro kan een vonnis pas ten uitvoer worden gelegd na betekening aan de partij tegen wie de executie zich zal richten.
Daarnaast is gebleken dat in het vonnis aan het niet-nakomen van de zorgregeling geen dwangmiddelen zijn verbonden. Het vonnis is tandenloos want zelfs als het zou worden betekend, kan het niet met inzet van een dwangmiddel ten uitvoer worden gelegd. Volgens de advocaat van de man is dat ook de reden dat het vonnis niet aan de vrouw is betekend. Van een dreigende tenuitvoerlegging waarvoor de weg van een executiegeschil op grond van artikel 438 lid 2 Rv Pro open zou staan, is dan ook geen sprake. De voorzieningenrechter zal de vrouw daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.
4.3.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Hetgeen door de man in dit kader naar voren is gebracht levert geen grond op om af te wijken van de hoofdregel in dit soort zaken.

5..De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar vordering,
5.2.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.Y.A. van Meersbergen en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2021.