De rechtbank Rotterdam behandelde het geschil tussen de man en vrouw over de ontbinding en verdeling van hun vennootschap onder firma (vof), gericht op de exploitatie van een strandpaviljoen. Na benoeming van een deskundige horecamakelaar werd de marktwaarde van de vof vastgesteld op €50.000, waarbij het strandpaviljoen als roerende zaak werd gewaardeerd vanwege de huur van de grond.
De vrouw betwistte diverse aspecten van de waardering, waaronder de financiële gegevens en transparantie van de deskundige, maar de rechtbank oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig en voldoende onderbouwd was. De onzekerheden door de coronacrisis werden adequaat meegenomen in de waardering.
De rechtbank bevestigde de ontbinding van de vof per datum van het eindvonnis en kende het strandpaviljoen toe aan de man. Omdat hij hierdoor overbedeeld was, werd hij veroordeeld tot betaling van de helft van de waarde (€25.000) aan de vrouw, vermeerderd met een correctiebedrag van €17.500 wegens eerdere onjuiste boeking.
De vrouw had recht op een winstaandeel over de jaren na 2015, maar omdat er geen winsten waren geboekt, viel dit niet toe. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.