ECLI:NL:RBROT:2021:8602
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek op grond van tijdelijk Chavez-Vilchez verblijfsrecht
Eiser, houder van de Marokkaanse nationaliteit, woont sinds 2013 in Nederland op basis van een Chavez-Vilchez verblijfsrecht, afgeleid van zijn minderjarige Nederlandse zoon. Hij verzocht op 27 juni 2019 om naturalisatie tot Nederlander, maar dit verzoek werd op 4 juni 2020 afgewezen en het bezwaar daarop op 13 augustus 2020 ongegrond verklaard. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank.
De kern van het geschil betreft de uitleg van het begrip 'verblijf voor onbepaalde tijd' in de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Eiser betoogde dat zijn verblijfsrecht, hoewel afgeleid, in principe langdurig is en vergelijkbaar met verblijfsrechten op grond van artikel 8 EVRM Pro of de Gezinsherenigingsrichtlijn. De staatssecretaris stelde dat het Chavez-Vilchez verblijfsrecht een tijdelijk karakter heeft, omdat het eindigt zodra de zoon meerderjarig wordt of niet langer afhankelijk is.
De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en oordeelde dat het verblijfsrecht van eiser inderdaad tijdelijk is. Hierdoor zijn er volgens de rechtbank bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, wat een belemmering vormt voor naturalisatie. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak werd gedaan door rechter S. Veling op 24 augustus 2021 te Dordrecht. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het naturalisatieverzoek wordt ongegrond verklaard vanwege het tijdelijke karakter van het verblijfsrecht.