In deze zaak vordert Stichting Woonstad Rotterdam de opzegging van het recht van erfpacht aan [gedaagden 1] wegens ernstige tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de leveringsakte, met name de zelfbewoningsplicht en het verhuurverbod. [gedaagden 1] verhuurde namelijk een deel van de woning aan [gedaagden 2] en woonde zelf elders.
Woonstad heeft meerdere sommatiebrieven gestuurd en een boete opgelegd, waarna zij de erfpacht heeft opgezegd met ingang van 1 december 2020. De rechtbank oordeelt dat [gedaagden 1] inderdaad ernstig tekort is geschoten en dat de opzegging gerechtvaardigd is. De boete wordt gematigd tot € 25.000,- minus reeds betaalde € 1.975,-, totaal € 23.025,-. Tevens wordt [gedaagden 1] veroordeeld tot ontruiming van de woning per 1 februari 2022.
Ten aanzien van [gedaagden 2], die de woning huurt van [gedaagden 1], oordeelt de rechtbank dat de huurovereenkomst na beëindiging van de erfpacht is voortgezet door Woonstad, maar dat deze op grond van belangenafweging na zes maanden kan worden beëindigd. De huurovereenkomst eindigt daarom per 1 februari 2022, waarna ook ontruiming wordt bevolen.
De vorderingen van [gedaagden 2] tot voortzetting van de huurovereenkomst worden afgewezen. Beide partijen worden veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. P. Joele en op 28 juli 2021 uitgesproken.