Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verloop van de procedure
2..De vaststaande feiten
3..De vordering
4..De beoordeling
5..De beslissing
:
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak verhuurt eiser sinds maart 2021 een onzelfstandige woonruimte aan gedaagde. In een bodemprocedure is de huurovereenkomst ontbonden en is gedaagde veroordeeld tot ontruiming binnen 14 dagen, met het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Eiser vordert in kort geding opnieuw ontruiming en betaling van kosten wegens vermeende overlast en vernielingen door gedaagde.
De kantonrechter stelt vast dat eiser geen belang heeft bij de kortgedingvordering omdat het bodemvonnis reeds een executoriale titel biedt voor ontruiming. Eventuele nieuwe feiten die eiser aanvoert zijn onvoldoende om het kort geding te rechtvaardigen. Mocht gedaagde een executiegeschil starten, dan zullen alle actuele omstandigheden daarin worden meegewogen.
Daarom wordt de vordering afgewezen en wordt eiser veroordeeld in de proceskosten, die nihil zijn gesteld. Het vonnis is gewezen door kantonrechter M. Fiege en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt afgewezen wegens gebrek aan belang omdat reeds een uitvoerbaar bodemvonnis bestaat.