ECLI:NL:RBROT:2021:7685
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde bovenwoning na bezwaar en beroep
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een bovenwoning te Bleijswijk voor het belastingjaar 2020. Verweerder stelde aanvankelijk een waarde van €89.000,- vast, die na bezwaar van belanghebbende werd verhoogd naar €199.000,-. Eiseres, huurder van de woning tot juli 2020, maakte bezwaar tegen deze verhoging, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit voldoende gemotiveerd is en dat eiseres geen verzoek tot hoorzitting heeft ingediend, waardoor zij niet gehoord hoefde te worden. Het bezwaar van vooringenomenheid wordt verworpen omdat de bezwaarprocedure correct is doorlopen en geen sprake is van schending van het fair play-beginsel.
De kern van het geschil betreft de waardering van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2019. De rechtbank stelt vast dat de vergelijkingsmethode en de gebruikte vergelijkingsobjecten passend zijn, waarbij rekening is gehouden met verschillen in inhoud, bouwjaar, voorzieningen en toegankelijkheid. De taxateur heeft de woning nauwkeurig ingemeten en de waarde is onderbouwd met een taxatierapport en een waardematrix.
De rechtbank concludeert dat verweerder de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de bovenwoning wordt ongegrond verklaard.