Eisers, zeevarenden werkzaam op het schip van Garnet Maritime Ltd, vorderden in kort geding betaling van achterstallig loon en bijkomende kosten. Het schip lag sinds oktober 2020 in de haven van Rotterdam, waar eisers conservatoir beslag legden.
De kantonrechter stelde vast dat op grond van het Verdrag van Brussel (1952) en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft voor loonvorderingen die zijn ontstaan tijdens het verblijf van het schip in Rotterdam. Eisers vorderden achterstallig loon tot 1 juli 2021, loon vanaf 1 juli 2021 tot repatriëring, beslagkosten, en kosten voor het verkrijgen van een tenuitvoerleggingstitel.
Garnet erkende de loonvorderingen en voerde geen verweer tegen rente. De kantonrechter wees de loonvorderingen en beslagkosten toe, maar verklaarde zich onbevoegd ten aanzien van de kosten voor het verkrijgen van een tenuitvoerleggingstitel. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat Garnet direct aan de veroordelingen moet voldoen, ook bij hoger beroep.
De procedurekosten werden aan Garnet opgelegd. De kantonrechter wees het meer of anders gevorderde af en stelde de exacte bedragen per eiser vast.