ECLI:NL:RBROT:2021:7557
Rechtbank Rotterdam
- Verschoning
- Rechtspraak.nl
Rechter niet-ontvankelijk in verzoek tot verschoning na beëindiging hoofdzaak
In deze zaak diende een rechter van de rechtbank Rotterdam een verzoek tot verschoning in wegens het feit dat de vader van de minderjarige in de procedure aangaf de rechter persoonlijk te kennen, wat bij de rechter een vrees voor partijdigheid opriep. De minderjarige en haar advocaat stemden in met het verzoek, terwijl de gecertificeerde instelling (GI) vanwege spoedeisendheid wilde dat de zaak doorging zonder af te wachten op een beslissing over het verschoningsverzoek.
De verschoningskamer beoordeelde het verzoek nadat de hoofdzaak reeds was beëindigd door een einduitspraak van een andere kinderrechter. Omdat een verzoek tot verschoning slechts ontvankelijk is zolang de hoofdzaak nog niet is afgerond, werd geoordeeld dat het verzoek niet-ontvankelijk was. De beslissing op het verzoek kon immers geen invloed meer hebben op de beëindigde procedure.
De rechtbank verklaarde het verzoek van de rechter tot verschoning niet-ontvankelijk en wees daarmee het verzoek af. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer bestaande uit drie rechters en ondertekend op 13 juli 2021.
Uitkomst: De rechter wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot verschoning omdat de hoofdzaak reeds is beëindigd.