Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het procesverloop
- de dagvaarding met producties van 29 december 2020;
- de conclusie van antwoord met producties;
- het tussenvonnis van 19 april 2021 waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
Rechtbank Rotterdam
In deze civiele zaak vordert eiser betaling van een restant van een geldlening van in totaal € 22.500,- die gedaagde van hem heeft geleend. Gedaagde betwist de vordering en stelt dat hij al betalingen heeft gedaan en dat hij een aanzienlijk bedrag kan verrekenen met werkzaamheden die hij voor eiser heeft verricht.
De kantonrechter stelt vast dat gedaagde contant betalingen heeft gedaan en dat een deel van de lening is kwijtgescholden, waardoor nog een bedrag van € 17.500,- openstaat. Gedaagde kan een bedrag van € 4.000,- verrekenen met zijn vordering op eiser wegens werkzaamheden, maar het overige deel van het verrekeningsverweer is onvoldoende onderbouwd en wordt niet gehonoreerd.
De rechter wijst de hoofdsom toe tot € 13.500,-, kent wettelijke rente toe vanaf het vonnis, en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 910,-. Tevens wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, ondanks verzet van gedaagde, zonder dat zekerheid wordt gesteld.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 14.410,- met rente en proceskosten, en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.