Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Riedel B.V. (Riedel), te Ede, verzoekster,
de Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster,
Procesverloop
[Naam], [Naam], deskundige, en [Naam], vertegenwoordiger van de aandeelhouder. Namens ACM is ook mr. A.S.M.L. Prompers verschenen en namens
CCEP- NL is ook [Naam], bedrijfsjurist, verschenen.
Overwegingen
Volgens Riedel hangt dit samen met de door haar gelaakte gedragingen van CCEP-NL.
De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande aanleiding uit te gaan van tenminste enig spoedeisend belang bij het tweede verzoek. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het niet eenvoudig zal zijn achteraf het causaal verband tussen de gestelde gedragingen van CCEP-NL en de omvang van de schade die Riedel daar door stelt te (zullen) lijden vast te stellen.
De ACM gebruikt de volgende criteria op basis waarvan zij verzoeken om handhaving beoordeelt:
De ACM overweegt in dit verband dat er reeds tijdens het initieel onderzoek een debat is ontstaan tussen Riedel en CCEP-NL over het effect van de (vermeende) overtreding op de mededinging. Zo lijkt op basis van het initieel inventariserend onderzoek op voorhand vast te staan dat de verweten overtredingen slechts plaatsvinden op een deel van de (vermeende) relevante markt en de distribuerende groothandel (tussenhandel) mogelijk zorgt voor een verwatering van het (vermeende) effect van de (vermeende) overtreding.
Van belang is immers dat CCEP-NL de door Riedel gestelde marktafbakening, de door Riedel gestelde gedragingen en de door Riedel gestelde gevolgen daarvan gemotiveerd heeft betwist. Daarbij wijst CCEP-NL er niet ten onrechte op dat zij geen deel uitmaakt van
The Coca-Cola Company maar dat deze laatste slechts minderheidsaandeelhouder is zodat niet het handelen van die minderheidsaandeelhouder met handelen van CCEP-NL kan worden vereenzelvigd. Verder komen de door beide partijen ingeschakelde economische deskundigen tot tegengestelde conclusies over de kostprijsberekening en de vraag of CCEP-NL onder de kostprijs levert. Mede in dat licht is onzeker welke uitkomst een diepgaand onderzoek zal hebben, terwijl dat onderzoek slechts kan worden verricht door capaciteit te onttrekken aan lopende onderzoeken waaraan de ACM in het licht van haar prioriteringsbeleid meer gewicht toekent.
In de voorliggende zaak is immers – anders dan in die eerdere zaak – niet door de ACM het standpunt ingenomen dat het verzoek om handhaving van de Telecommunicatiewet onvoldoende is onderbouwd, maar is uit een oogpunt van opportuniteit afgezien van nader onderzoek naar misbruik van een economische machtspositie.
De ACM heeft immers op 15 april 2021 de beslistermijn verlengd. Voort ontbreekt procesbelang bij dit beroep omdat inmiddels een reële beslissing voorligt waartegen het beroep mede is gericht. Dit lot treft voorts het eerste verzoek om voorlopige voorziening (vgl. PG Awb II, p. 465).