Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2021:7121

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 februari 2021
Publicatiedatum
23 juli 2021
Zaaknummer
KTN-8551723_19022021
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 71 RvArt. 93 sub a RvArt. 93 sub c Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing civiele vordering tot schadevergoeding na ontruiming huurwoning naar handelskamer

De zaak betreft een vordering van eiser tegen Stichting Vestia wegens onrechtmatige daad in verband met de ontruiming van zijn huurwoning. Eiser stelt dat Vestia onzorgvuldig heeft gehandeld door zijn roerende zaken bij de ontruiming af te voeren en te vernietigen, terwijl hij in detentie verbleef. Hij vordert een schadevergoeding van €52.555,55 plus rente en kosten.

De feiten zijn dat de huurovereenkomst wegens huurachterstand is ontbonden en dat eiser meerdere betalingsregelingen niet is nagekomen. Na betekening van het vonnis en diverse aanmaningen is de woning op 4 oktober 2016 ontruimd door een gerechtsdeurwaarder. Eiser heeft de woning niet vrijwillig ontruimd.

De kantonrechter oordeelt dat de vordering niet voortkomt uit de huurovereenkomst zelf, maar uit onrechtmatige daad, waardoor het geen aardvordering betreft. Daarnaast overstijgt de vordering het bedrag van €25.000, waardoor de kantonrechter niet bevoegd is. Daarom wordt de zaak verwezen naar de handelskamer van de rechtbank Rotterdam voor verdere behandeling.

Partijen worden gewezen op de procedurele gevolgen van de verwijzing, waaronder de verplichting tot vertegenwoordiging door een advocaat en de griffierechten. De handelskamer zal ook beslissen over de proceskosten van deze procedure.

Uitkomst: De kantonrechter verwijst de civiele vordering tot schadevergoeding wegens ontruiming naar de handelskamer vanwege onbevoegdheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8551723 CV EXPL 20-17326
uitspraak: 19 februari 2021
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats eiser],
eiser,
gemachtigde: mr. P. Rodrigues de Carvalho, advocaat te Rotterdam,
tegen
de stichting
Stichting Vestia,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G. Meijerink, werkzaam bij Bazuin & Partners Gerechtsdeurwaarders.

1..Het verloop van het proces

1.1
Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 14 mei 2020;
  • de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4;
  • de conclusie van repliek, met productie 1 tot en met 3;
  • de conclusie van dupliek.
1.2
De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2..De feiten

2.1
Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 september 2015 is de huurovereenkomst tussen Vestia en [eiser] betreffende de woning gelegen aan het [adres] in verband met een huurachterstand ontbonden en is [eiser] veroordeeld tot ontruiming van die woning.
2.2
Na het vonnis zijn partijen een betalingsregeling overeengekomen, zodat [eiser] in de woning kon blijven wonen, terwijl hij de huurachterstand zou aflossen. [eiser] is de regeling niet nagekomen.
2.3
Op 28 oktober 2015 is het vonnis aan [eiser] betekend en is hij bevolen om de woning te ontruimen. Deze ontruiming heeft geen doorgang gevonden omdat [eiser] zijn betalingen hervatte.
2.4
Bij brief van 14 maart 2016 heeft de gemachtigde van Vestia wederom aan [eiser] kenbaar gemaakt tot ontruiming te zullen overgaan. Ook deze ontruiming heeft geen doorgang gevonden omdat [eiser] zijn betalingen hervatte.
2.5
Bij e-mailbericht van 15 september 2016 heeft de toenmalige advocaat van [eiser] aan Vestia te kennen gegeven dat zijn cliënt gedetineerd was. Verzocht is om een kopie van het vonnis van 15 september 2015 alsmede om een overzicht van de betalingsachterstand op dat moment.
2.6
Bij e-mailbericht van 15 september 2016 heeft de gemachtigde van Vestia het vonnis en een specificatie van de betalingsachterstand aan de advocaat doen toekomen, alsmede kenbaar gemaakt dat de woning op 4 oktober 2016 zou worden ontruimd. Op 19 september 2016 is de ontvangst van het bericht door de advocaat bevestigd.
2.7
Op 22 september 2016 is het vonnis nogmaals aan [eiser] betekend en is hem gelegenheid geboden om de woning vrijwillig te ontruimen, bij gebreke waarvan Vestia de woning op 4 oktober 2016 zou (laten) ontruimen.
2.8
[eiser] heeft de woning niet zelf ontruimd. Op 4 oktober 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder de woning ontruimd.

3..Het geschil

3.1
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. Vestia te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te betalen
€ 52.555,55 te vermeerderen met wettelijke rente over dat bedrag met ingang van
4 oktober 2016;
Vestia te veroordelen aan hem te betalen een bedrag nader op te maken bij staat ter zake van de kosten tot verkrijging van voldoening buiten rechte;
Vestia te veroordelen in de kosten van deze procedure alsmede de nakosten.
3.2
Aan zijn vordering legt [eiser] - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - ten grondslag dat Vestia jegens hem een onrechtmatige daad heeft gepleegd, doordat zij op 4 oktober 2016 is overgegaan tot ontruiming van zijn woning, bij welke gelegenheid de in de woning aangetroffen roerende zaken zijn afgevoerd en vernietigd, in plaats van op te slaan. [eiser] stelt dat Vestia wist dat hij in detentie verbleef en dat zij niet de zorg heeft betracht die uit hoofde van zaakwaarneming nodig is en geen rekening heeft gehouden met zijn gerechtvaardigde belangen. Hierdoor heeft hij schade geleden ten belope van
€ 52.555,55. Dat bedrag wordt gevorderd met rente. Daarnaast vordert [eiser] veroordeling van Vestia tot betaling aan hem van een bedrag aan buitengerechtelijke kosten op de voet van artikel 6:96 BW Pro.
3.3
Vestia betwist de vordering en concludeert - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4..De beoordeling

4.1
De vordering betreft niet de huurovereenkomst die tussen partijen heeft bestaan, want ziet niet op de nakoming van een verbintenis uit die beëindigde overeenkomst, maar is gegrond op onrechtmatige daad. De vordering is dus geen aardvordering als bedoeld in artikel 93 sub c Rv Pro.
4.2
De vordering overstijgt de in artikel 93 sub a Rv Pro opgenomen bevoegdheidsgrens van de kantonrechter van € 25.000,-.
4.3
De zaak moet daarom op grond van artikel 71 Rv Pro worden verwezen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken (de handelskamer) van deze rechtbank ter verdere behandeling, waarbij wat betreft het griffierecht ermee rekening wordt gehouden dat [eiser] met een toevoeging procedeert.

5..De beslissing

De kantonrechter:
verwijst de zaak naar de rolzitting van de handelskamer van deze rechtbank van
woensdag 24 februari 2021 te 10:00 uuropdat de zaak aldaar wordt voortgezet in de stand waarin zij zich thans bevindt;
wijst partijen erop dat zij in de procedure bij de handelskamer niet in persoon kunnen procederen, maar slechts bij advocaat;
wijst partijen erop dat de handelskamer zal beslissen over de proceskosten in deze procedure, waaronder het door de kantonrechter berekende griffierecht van € 83,- voor [eiser];
wijst [eiser] erop dat na verwijzing geen verhoogd griffierecht is verschuldigd;
wijst Vestia erop dat na verwijzing een griffierecht van € 2.042,- is verschuldigd, welk bedrag binnen vier weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie moet zijn gestort;
draagt de griffier op de processtukken en een afschrift van dit vonnis tijdig voor genoemde rolzitting te doen toekomen aan de griffier van de handelskamer.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.P. van Gastel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
465