AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor belaging, bedreiging, smaadschrift en belediging met gevangenisstraf en taakstraf
De rechtbank Rotterdam heeft op 2 juli 2021 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte wegens belaging, bedreiging, eenvoudige belediging en smaadschrift. De verdachte stuurde gedurende meerdere maanden bedreigende en beledigende berichten via WhatsApp en plaatste smaadschriften op Facebook gericht tegen een reclasseringsmedewerkster en ambtenaren. Ondanks waarschuwingen en een pandverbod bleef hij dit gedrag vertonen.
De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en aan belediging en smaadschrift jegens ambtenaren. De bewezen feiten betroffen onder meer bedreigingen met ernstige woorden en het verspreiden van beledigende teksten op sociale media. De verdachte had een strafblad met soortgelijke feiten en kampte met een alcoholstoornis, maar was gemotiveerd tot vrijwillige hulpverlening.
De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 132 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, rekening houdend met de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis had doorgebracht. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf gelast en omgezet in een taakstraf van 45 uur. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding wegens onvoldoende onderbouwing.
De straf weerspiegelt de ernst van het gedrag, de impact op de slachtoffers die maatschappelijk belangrijke functies vervullen en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank bood tevens ruimte voor rehabilitatie door het stimuleren van vrijwillige hulpverlening.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 132 dagen gevangenisstraf waarvan 30 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 45 uur.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 10/082323-21
Parketnummer vordering TUL: 10/081204-20
Datum uitspraak: 2 juli 2021
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte],
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres verdachte] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd
in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,
raadsvrouw mr. S. Epema, advocaat te Rotterdam.
1..Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 juli 2021.
2..Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3..Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. C.J.A. van der Maas heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 175 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;
tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/081204-20.
4..Waardering van het bewijs
4.1.
Bewijswaardering feit 1 primair (belaging)
4.1.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit en daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte heeft de berichten, zoals opgenomen in de tenlastelegging, naar aangeefster gestuurd in de periode van 28 oktober 2020 tot en met 14 maart 2021, maar er is geen sprake van belaging. De berichten die zijn gestuurd tot en met 23 januari 2021 zijn niet zozeer gericht aan aangeefster. Verder gaat het om 45 tot 50 berichten die naar aangeefster zijn verstuurd, verspreid over 18 data en soms met grote tussenpozen. Aangeefster heeft zelf in haar aangifte verklaard dat zij de berichten vervelend vond, maar heeft niet verklaard dat de genoemde berichten een dusdanige invloed op haar leven hebben gehad. Gelet op het voorgaande is er geen sprake geweest van de voor belaging vereiste stelselmatigheid.
4.1.2.
Beoordeling
De rechtbank gaat op basis van de zich in het dossier bevindende stukken en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld, uit van de volgende feiten.
De verdachte heeft in de periode van 28 oktober 2020 tot en met 14 maart 2021 via WhatsApp 46 berichten naar de werktelefoon van aangeefster, de toezichthouder van de verdachte bij de reclassering, gestuurd. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat, hoewel de inhoud van elkaar verschilde, alle berichten een kwetsende en nare inhoud hadden en sommige berichten waren ook intimiderend of ronduit bedreigend van aard. Zo heeft de verdachte onder andere een foto van de zus van aangeefster gestuurd met daarbij de tekst: ‘Jij beseft pas wat je mist als jij t kwijt bent!!! Zelfde geldt voor mij domme gans’. Ook heeft de verdachte de geboorteplaats, de woonplaats van aangeefster en de naam van de hogeschool waar aangeefster heeft gestudeerd naar haar gestuurd. Naar aanleiding van de verstuurde berichten heeft de reclassering aan de verdachte een officiële waarschuwingsbrief verzonden op 25 februari 2021. Hierin staat vermeld dat aangeefster geen beledigende en/of bedreigende uitspraken meer wenst te ontvangen van de verdachte. Na deze waarschuwing is de verdachte echter doorgegaan met het sturen van beledigende en bedreigende berichten via WhatsApp. Tevens heeft de verdachte op zijn Facebookpagina een bericht geplaatst over aangeefster, waarbij hij haar naam en woonplaats heeft genoemd. Op 8 maart 2021 heeft de verdachte een pandverbod van de reclassering ontvangen voor de locatie Marconiplein 2 te Rotterdam. Ook dit heeft de verdachte er niet van weerhouden om opnieuw berichten naar aangeefster te sturen.
De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster - naar objectieve maatstaven bezien - zodanig zijn geweest dat sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer.
Hierbij verwijst de rechtbank in het bijzonder naar de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen waarin de vele (bedreigende) berichten, de waarschuwingsbrief en het pandverbod zijn opgenomen. Uit deze berichten komt naar voren dat de verdachte op indringende wijze jegens aangeefster steeds weer zijn ongenoegen over haar (en anderen) heeft geuit, terwijl aan de verdachte meermalen te kennen is gegeven dat aangeefster hiervan niet is gediend. De rechtbank acht daarmee bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging.
4.1.3.
Conclusie
Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.
4.2.
Partiële vrijspraak feit 2 (periode bedreiging)
4.2.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de gehele ten laste gelegde periode.
4.2.2.
Beoordeling
De verdachte heeft bij de politie en op de terechtzitting bekend dat hij de berichten, zoals opgenomen in de tenlastelegging en die bedreigend van aard zijn, naar aangeefster heeft gestuurd. Deze berichten zijn verstuurd in de periode van 23 januari 2021 tot en met 3 maart 2021. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat alleen deze periode bewezen kan worden verklaard en dat voor het overige partieel dient te worden vrijgesproken.
4.3.
Partiële vrijspraak feit 3 (periode belediging)
4.3.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de gehele ten laste gelegde periode.
4.3.2.
Beoordeling
De verdachte heeft bij de politie en op de terechtzitting bekend dat hij de berichten, zoals opgenomen in de tenlastelegging en die beledigend van aard zijn, naar aangeefster heeft gestuurd. Deze berichten zijn verstuurd in de periode van 11 februari 2021 tot en met 22 maart 2021. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat alleen deze periode bewezen kan worden verklaard en dat voor het overige partieel dient te worden vrijgesproken.
4.4.
Bewijswaardering feit 4 en 5 (smaadschrift en belediging)
4.4.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft allereerst aangevoerd dat de geplaatste berichten van de verdachte op Facebook over aangever in twee feiten zijn ten laste gelegd. Een bewezenverklaring voor beide feiten zou dubbelop zijn. De verdediging is van oordeel dat de ten laste gelegde smaad (feit 4) zou moeten prevaleren boven de ten laste gelegde belediging (feit 5), zodat de verdachte voor feit 5 dient te worden vrijgesproken. Daarnaast is de ten laste gelegde periode erg ruim genomen. De verdachte heeft op 9 april 2019 een klacht jegens aangever ingediend, waarover in de zomer van 2019 met aangever is gesproken. Op 2 maart 2021 heeft de verdachte de berichten over aangever op Facebook geplaatst. In de tussenliggende periode zijn geen berichten naar aangever gestuurd of over hem geplaatst.
4.4.2.
Beoordeling
Aan de verdachte is zowel smaad (artikel 261, tweede lid Sr) als belediging (artikel 266 SrPro) ten laste gelegd. Smaad(schrift) is een specifieke vorm van belediging. Hoewel beide artikelen zien op de bescherming van de aanspraak die een ieder heeft op zijn eer en goede naam, oftewel zijn reputatie, is er wel een verschillend beschermd belang. Bij smaad heeft de opsteller van het bericht de bedoeling ruchtbaarheid aan de aantasting van iemands goede naam/eer aan te geven, terwijl bij belediging de aantasting specifiek op de ontvanger als individu is gericht. Beide feiten, die door de verdachte zijn bekend, kunnen dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.
Ook acht de rechtbank de volledige ten laste gelegde periode bewezen. De berichten, zoals opgenomen in de tenlastelegging, zijn verstuurd en/of geplaatst binnen de ten laste gelegde periode, waarbij het eerste bericht afkomstig is van 9 april 2019 en het laatste van 5 maart 2021.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
1.
hij in de periode van 28 oktober 2020 tot en met 14 maart 2021 te
Vlaardingen en/of Rotterdam, wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [naam slachtoffer] ,
door
- veelvuldig via Whatsapp beledigende, intimiderende en/of
bedreigende berichten naar die [naam slachtoffer] te sturen,
waaronder met de tekst ""de russen weten wel een oplossing, die onthoofden ook"",
"Ja overlast, stalken?! Nu begint t pas", "Jij luistert niet, dus moet jij t maar voelen!
Mij naaien?! Nu is t jouw beurt arrogant blondje" en "Psychische marteling moet
nog beginnen! Ik ben klaar met jouw bloedzuigertje!",
en hiermee door te gaan na een officiële waarschuwing en pandverbod,
- een foto van de zus van die [naam slachtoffer] op te zoeken en die foto via Whatsapp naar
die [naam slachtoffer] te sturen met de tekst "jij beseft pas wat je mist als jij t kwijt bent",
- de geboorteplaats, woonplaats en hogeschool van die [naam slachtoffer] op te zoeken
en naar die [naam slachtoffer] te sturen en
- op zijn facebookpagina een bericht te plaatsen met de tekst "Mss zit ik binnenkort
weer paar weken vast, dankzij [naam slachtoffer] uit wateringen! Heb
meningsverschil met reclassering, of ik m'n hele doopcel met
psychologen ga bespreken?! Denk t ff niet, blow 10,000 euro p/j om die ellende te
vissenmoordenaars en vogelverschrikkers, dierenbeulen enzo....!!!” en
- “ Doe ermee wat je wil, hatelijke groetjes aan [naam ambtenaar] grrrrrrrrr! Tijd dat die
uitgerangeerde politieagent met pensioen gaat".
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.
De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
5..Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
1. primair)
belaging;
2.
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
3.
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
4.
smaadschrift;
5.
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn dus strafbaar.
1..Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
2..Motivering straf
2.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
2.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en bedreiging van een reclasseringsmedewerkster door – ondanks een waarschuwing en een pandverbod – veelvuldig (bedreigende) berichten naar haar te sturen en te plaatsen op social media. Door zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte heeft verklaard dat hij zijn emoties en frustraties wilde uiten, maar heeft met zijn handelen de grens van het toelaatbare overschreden en iemand die zo goed mogelijk haar werk probeert te doen angst aangejaagd.
Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan meermaals beledigen van ambtenaren in functie en aan smaadschrift. De ambtenaren zijn door het handelen van de verdachte in hun eer en goede naam aangetast. Dergelijke feiten betekenen een ondermijning van het openbaar gezag. Hieraan heeft verdachte bijgedragen door het plaatsen van berichten op sociale media waardoor deze zichtbaar waren voor derden en daardoor des te grievender zijn geweest. Alle slachtoffers doen maatschappelijk belangrijk werk en zowel de reclasseringsmedewerkster als de wijkagent deden hun best om de verdachte te helpen om zijn leven op de rit te krijgen. Dat zij zo zijn bejegend, neemt de rechtbank de verdachte zeer kwalijk.
2.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
2.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 mei 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
2.3.2.
Rapportages
Psycholoog drs. J.J. van der Weele heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 6 mei 2021. Dit rapport houdt het volgende in.
De verdachte heeft een stoornis in het gebruik van alcohol. Dat was ook het geval ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De verdachte was echter in staat om zelf de keuze te maken zoveel te drinken.
Het advies is dan ook om het ten laste gelegde aan de verdachte toe te rekenen.
Voor wat betreft bestaande beschermende factoren geldt dat de verdachte bovengemiddeld intelligent is, een goede band heeft met zijn ouders en een positief sociaal netwerk heeft. Verdachte zou baat hebben bij een passende daginvulling zodat hij minder aandacht heeft voor zijn frustaties die hij op anderen afreageert. Met minder frustratie omtrent zijn dagelijkse leefomstandigheden en zijn persoonlijke situatie in het algemeen zal de neiging om periodiek 'stoom af te blazen' waarschijnlijk afnemen.
De verdachte wordt voldoende in staat geacht om op vrijwillige basis hulp te zoeken als hij hulp wil aanvaarden (en wil gebruiken). Gedwongen hulpverlening lijkt in het geval van de verdachte dan ook eerder recidiveverhogend te zullen uitwerken dan dat hij hiervan zal kunnen/willen profiteren. Dit wordt dan ook niet geadviseerd, ook omdat het risico van daadwerkelijke en doelbewuste fysieke geweldpleging in de richting van anderen vooralsnog als gering wordt beschouwd.
Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 10 juni 2021. Dit rapport houdt het volgende in.
De reclassering ziet problemen op het gebied van alcoholgebruik, dagbesteding en houding. De verdachte dronk voorafgaand aan onderhavige verdenking overmatig alcohol. Daarnaast is hij sinds zijn achttiende jaar volledig arbeidsongeschikt en ontbreekt het hem aan een zinvolle, structurele dagbesteding, waardoor hij een vrij leeg bestaan leidt. Zijn houding is rigide, met name jegens instanties dan wel mensen met een geüniformeerd beroep, hetgeen mogelijk terug te leiden is naar zijn jarenlange strijd om erkenning te krijgen voor zijn fysieke klachten.
Positief om te benoemen is dat de verdachte openstaat voor hulpverlening in een vrijwillig kader en baat heeft bij het ventileren van zijn emoties en frustraties. Daarnaast is hij voornemens zijn alcoholgebruik tot een minimum te beperken. De reclassering heeft de verdachte aangeraden zich bij de praktijkondersteuner van zijn huisarts te melden teneinde hier ondersteuning voor te krijgen. De risico's op recidive, letselschade en geweld schat de reclassering in als gemiddeld. Volgens de reclassering zal het opleggen van bijzondere voorwaarden eerder risicoverhogend dan -beperkend werken. Toezicht en behandeling acht de reclassering in zijn algemeenheid geïndiceerd maar niet haalbaar/uitvoerbaar. De reclassering adviseert dit dan ook niet omdat de reclassering, evenals de Pro Justitia rapporteur, van mening is dat dit contraproductief en dus risicoverhogend zal werken.
De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapportages.
2.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank zal een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf gelijk moet zijn aan de duur die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De verdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij bereid is om zelf vrijwillig hulp te gaan zoeken bij zijn alcoholverslaving en dat hij gemotiveerd is om naar volledige onthouding toe te werken. Met deze straf voorziet de rechtbank in deze mogelijkheid en wordt hem die kans geboden.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
3..Vordering benadeelde partij
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 500,- aan immateriële schade.
3.1.
Standpunt officier van justitie
De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu de vordering niet (voldoende) is onderbouwd.
3.2.
Standpunt verdediging
De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu de vordering niet is onderbouwd. De benadeelde partij heeft geen vergelijkbare jurisprudentie overgelegd, er is geen adequate beschrijving van de schade gegeven en er zijn geen onderbouwde stukken bij de vordering gevoegd.
3.3.
Beoordeling
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten, nu de vordering niet is onderbouwd. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
3.4.
Conclusie
In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.
4..Vordering tenuitvoerlegging
4.1.
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 9 april 2020 van de meervoudige kamer voor strafzaken van deze rechtbank is de verdachte ter zake van bedreiging, wederspannigheid en vernieling veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 7 weken, waarvan een gedeelte groot 3 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
De proeftijd is ingegaan op 24 april 2020.
4.2.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel moet worden toegewezen, nu de verdachte de algemene voorwaarden heeft overtreden. De officier van justitie heeft zich niet verzet tegen de omzetting van 3 weken gevangenisstraf in een taakstraf.
4.3.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen en subsidiair dat de vordering, bij toewijzing, dient te worden omgezet in een taakstraf.
4.4.
Beoordeling
De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, verwijtbaar niet nageleefd.
De tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf kan om die reden worden gelast. Er worden evenwel termen aanwezig geacht om de gevangenisstraf van drie weken waar de tenuitvoerlegging op ziet, om te zetten in een taakstraf. Op die wijze heeft de veroordeelde een dagbesteding hetgeen een positieve bijdrage kan leveren in zijn traject naar geheelonthouding. Er zal om die reden een taakstraf voor de duur van 45 uren worden gelast.
5..Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 261, 266, 267, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
6..Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
7..Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 132 (honderdtweeëndertig) dagen;
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 30 (dertig) dagenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde:
de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden. Dit bevel is afzonderlijk geminuteerd;
verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering. Bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 9 april 2020 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 3 (drie) weken;
zet deze gevangenisstraf om in een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 45 (vijfenveertig) uur;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verrichtvervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 21 (eenentwintig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. Boer, voorzitter,
en mrs. P.E. van Althuis en A.M.J. van Buchem-Spapens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.C. Wennekes, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij in of omstreeks de periode van 28 oktober 2020 tot en met 14 maart 2021 te
Vlaardingen en/of Rotterdam, althans in Nederland
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [naam slachtoffer] ,
door
- veelvuldig, althans meermalen via Whatsapp beledigende, intimiderende en/of
bedreigende berichten naar die [naam slachtoffer] te sturen,
waaronder met de tekst ""de russen weten wel een oplossing, die onthoofden ook"",
"Ja overlast, stalken?! Nu begint t pas", "Jij luistert niet, dus moet jij t maar voelen!
Mij naaien?! Nu is t jouw beurt arrogant blondje" en/of "Psychische marteling moet
nog beginnen! Ik ben klaar met jouw bloedzuigertje!",
en/of hiermee door te gaan na een officiële waarschuwing en/of pandverbod,
- de openbare tekst bij zijn Whatsappprofiel te veranderen in "bloedzuigers moeten
bloed zien",
- een foto van de zus van die [naam slachtoffer] op te zoeken en die foto via Whatsapp naar
die [naam slachtoffer] te sturen met de tekst "jij beseft pas wat je mist als jij t kwijt bent",
- de geboorteplaats, woonplaats en/of hogeschool van die [naam slachtoffer] op te zoeken
en naar die [naam slachtoffer] te sturen en/of
- op zijn facebookpagina een bericht te plaatsen met de tekst "Mss zit ik binnenkort
weer paar weken vast, dankzij [naam slachtoffer] uit wateringen! Heb
meningsverschil met reclassering, of ik m'n hele doopcel met
psychologen ga bespreken?! Denkt ff niet, blow 10,000 euro p/j om die ellende te