ECLI:NL:RBROT:2021:6921

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juli 2021
Publicatiedatum
20 juli 2021
Zaaknummer
18.414
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 1 FwArt. 350 lid 3 sub a Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening schone lei na schuldsaneringsregeling voor slachtoffer kinderopvangtoeslag-affaire

Schuldenares heeft een schuldsaneringsregeling doorlopen die op 24 mei 2018 is uitgesproken. De bewindvoerder rapporteerde dat alle verplichtingen zijn nagekomen en adviseerde de rechtbank om een schone lei te verlenen. Schuldenares is door de Belastingdienst erkend als slachtoffer van de kinderopvangtoeslag-affaire, waarbij de Belastingdienst heeft toegezegd de geverifieerde schuldenlast te voldoen.

Tijdens de zitting bevestigde schuldenares dat zij zekerheidshalve bij de Belastingdienst is aangemeld en dat een bedrag van €30.000 op de beheerrekening is gestort. De bewindvoerder stelde dat de schuldsaneringsregeling kan worden beëindigd op grond van artikel 350 lid 3 onder Pro a Faillissementswet vanwege de erkenning en betalingsgarantie van de Belastingdienst.

De rechtbank oordeelde dat schuldenares niet tekortgeschoten is in haar verplichtingen, dat geen schuldeisers bezwaar maakten, en dat de schulden nog niet zijn voldaan maar dat de regeling op termijn kan worden beëindigd. Gezien het inzicht van schuldenares in de gevolgen van beëindiging met een schone lei en het verstreken van de duur van de regeling, verleent de rechtbank de schone lei en stelt het salaris van de bewindvoerder vast. De formele beëindiging volgt na betaling van de schulden door de Belastingdienst.

Uitkomst: De rechtbank verleent schuldenares de schone lei en beëindigt de schuldsaneringsregeling onder voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
verlening schone lei
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 2 juli 2021
Bij vonnis van deze rechtbank van 24 mei 2018 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:
[schuldenares] ,
[adres]
[woonplaats] ,
schuldenares,
bewindvoerder: P.H.L. Adam.

1..De procedure

De bewindvoerder heeft schriftelijk verslag uitgebracht op 15 februari 2021. Op 30 april 2021 heeft de bewindvoerder de rechtbank nader bericht.
De beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling is behandeld ter terechtzitting van 27 mei 2021.
Ter zitting zijn verschenen en gehoord:
  • [schuldenares] , schuldenares;
  • de heer A. Middelkoop, beschermingsbewindvoerder van schuldenares;
  • de heer P.H.L. Adam, bewindvoerder.
De rechtbank heeft schuldenares in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 10 juni 2021 een standpunt in te nemen omtrent de wijze van beëindiging van de schuldsaneringsregeling.
Op 28 mei 2021 heeft de bewindvoerder aan de rechtbank het standpunt van schuldenares medegedeeld. Op 8 juni 2021 heeft de beschermingsbewindvoerder het standpunt van schuldenares nader toegelicht.
De uitspraak is bepaald op heden.

2..Standpunten

De bewindvoerder heeft in zijn schriftelijk verslag verklaard dat alle verplichtingen door schuldenares zijn nagekomen en dat hij de rechtbank adviseert om schuldenares een schone lei te verlenen.
De bewindvoerder heeft bij nader bericht van 30 april 2021 te kennen gegeven dat schuldenares door de Belastingdienst als gedupeerde van de kinderopvangtoeslag-affaire is aangemerkt en dat daarbij is toegezegd dat de geverifieerde schuldenlast van schuldenares zal door de Belastingdienst zal worden voldaan.
Schuldenares heeft ter zitting verklaard dat zij zich – om betaling van haar schuldeisers zeker te stellen – zekerheidshalve heeft aangemeld bij de Belastingdienst. Dit ondanks haar eerdere standpunt dat zij geen slachtoffer zou zijn van de kinderopvangtoeslag-affaire. Schuldenares heeft voorts bevestigd dat zij inmiddels inderdaad is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslag-affaire en dat het bedrag van € 30.000,-- inmiddels door de Belastingdienst op de beheerrekening van de beschermingsbewindvoerder is gestort.
Ter zitting heeft de bewindvoerder zich op het standpunt gesteld dat de schuldsaneringsregeling van schuldenares in aanmerking komt voor beëindiging op grond van artikel 350 lid 3 onder Pro a van de Faillissementswet (Fw), gelet op het feit dat schuldenares als gedupeerde is aangemerkt door de Belastingdienst en de Belastingdienst heeft toegezegd de geverifieerde schuldenlast te zullen voldoen.
Op 28 mei 2021 heeft de bewindvoerder te kennen gegeven dat schuldenares zich op het standpunt heeft gesteld dat zij de schuldsaneringsregeling wenst te beëindigen met een schone lei.
De beschermingsbewindvoerder van schuldenares heeft bij brief van 8 juni 2021 bevestigd dat schuldenares begrijpt dat als de schuldsaneringsregeling wordt beëindigd met toekenning van een schone lei, zij niet het voordeel geniet van een beëindiging op grond van artikel 350 lid 1 en Pro 3 sub a Faillissementswet, namelijk dat zij binnen tien jaar na beëindiging van de schuldsaneringsregeling opnieuw een beroep op de wettelijke schuldsaneringsregeling kan doen. Schuldenares heeft immers niet de intentie om weer naar de schuldsaneringsregeling terug te keren.

3..De beoordeling

De rechtbank oordeelt dat schuldenares niet (toerekenbaar) in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten. Geen van de schuldeisers heeft redenen aangevoerd om tot een ander oordeel te komen.
De rechtbank constateert dat schuldenares door de Belastingdienst is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslag-affaire. De Belastingdienst heeft schriftelijk bevestigd dat hij de geverifieerde schulden van schuldenares zal betalen. Blijkens het Besluit compensatie schuldentrajecten van de Staatssecretaris van Financiën van 28 mei 2021, in werking getreden met ingang van 2 juni 2021, zal met de betaling van de schulden nog geruime tijd gemoeid zijn (volgens het Besluit na indiening van de aanvraag daartoe door de bewindvoerder nog (maximaal) acht weken).
Ten tijde van het wijzen van het vonnis zijn de schulden nog niet betaald, zodat van een situatie van artikel 350 lid 1 en Pro 3 sub a Fw (nog) geen sprake is.
Nu geen sprake is van (toerekenbare) tekortkomingen in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, schuldenares blijk heeft gegeven van inzicht in de gevolgen van beëindiging van de schuldsaneringsregeling door middel van de “schone lei” (in plaats van op grond van artikel 350 lid 1 en Pro 3 sub a Fw op termijn) en de duur van de schuldsaneringsregeling reeds is verstreken, ziet de rechtbank aanleiding om aan schuldenares de schone lei te verlenen.
De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.
De financiële afwikkeling van de schuldsaneringsregeling kan pas plaatsvinden zodra de geverifieerde schulden en de kosten van de schuldsaneringsregeling door de Belastingdienst zijn voldaan. De verificatievergadering heeft inmiddels plaatsgevonden op 25 juni 2021. Zodra de bewindvoerder uit de betaling van de Belastingdienst alle geverifieerde schulden en de kosten van de schuldsaneringsregeling kan voldoen zal de bewindvoerder daartoe overgaan. Vervolgens kan de schuldsaneringsregeling formeel worden beëindigd.

4..De beslissing

De rechtbank:
  • stelt vast dat schuldenares niet toerekenbaar in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten;
  • bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van schuldenaar eindigen op 24 mei 2021;
  • verleent de zogenoemde “schone lei” waardoor de na de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling bestaande vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, voor zover deze onvoldaan zijn gebleven, niet langer afdwingbaar zijn;
- stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal
€ 3.317,77.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van de griffier S. Caciano in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2021. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.