ECLI:NL:RBROT:2021:6914

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 juli 2021
Publicatiedatum
20 juli 2021
Zaaknummer
ROT 20/1692
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet waardering onroerende zakenArtikel 1 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep WOZ-waarde na overeenstemming partijen

Bij beschikking van 29 maart 2019 heeft de gemeente Rotterdam de WOZ-waarde van een onroerende zaak vastgesteld op €267.000,- voor het belastingjaar 2019. Eiser maakte bezwaar en dit werd op 27 februari 2020 ongegrond verklaard. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. Tijdens de procedure zijn partijen het eens geworden over een WOZ-waarde van €200.000,-, waardoor het geschil over de waarde is komen te vervallen.

De rechtbank heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat bij uitblijven van een verzoek tot zitting het onderzoek zou worden gesloten en uitspraak zou worden gedaan. Partijen hebben niet gereageerd, waarna de rechtbank het onderzoek sloot en uitspraak deed. Omdat verweerder aan het beroep van eiser tegemoet is gekomen, ontbreekt het belang bij het beroep en wordt het niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast is de vraag aan de orde of sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand door de gemachtigde van eiser, wat relevant is voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank oordeelt dat de gemachtigde, ondanks zijn achtergrond als registeraccountant en belastingadviseur, niet regelmatig bezwaar- en beroepsprocedures voert over WOZ-waarderingen en geen relevante juridische scholing heeft genoten. Daarom is geen sprake van beroepsmatige rechtsbijstand en wordt een proceskostenveroordeling afgewezen.

De rechtbank bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van €48,- moet vergoeden. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat partijen overeenstemming bereikten over de WOZ-waarde; verweerder vergoedt het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/1692

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juli 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaats] , eiser,

gemachtigde: [naam gemachtigde] namens [naam bedrijf 1] ./ [naam bedrijf 2] .,
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. P. van Hattem.

Procesverloop

Bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), gedagtekend 29 maart 2019, heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak [adres] te Rotterdam (hierna: de onroerende zaak) voor het belastingjaar 2019 vastgesteld op € 267.000,-.
Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 27 februari 2020 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend op 8 maart 2021. Eiser heeft daarop bij brief van 15 maart 2021 gereageerd. Vervolgens heeft verweerder nog gereageerd bij brief van 26 maart 2021 en eiser tot slot bij brief van 31 maart 2021.
Omdat partijen het over de WOZ-waarde eens waren geworden, zijn zij niet ter zitting verschenen.
Bij brief van 28 april 2021 heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat, als zij binnen zes weken niet laten weten dat zij alsnog een zitting willen, het onderzoek zal worden gesloten en uitspraak zal worden gedaan. Partijen hebben op die brief niet gereageerd, zodat de rechtbank het onderzoek sluit en uitspraak doet.

Overwegingen

1. Over de WOZ-waarde bestaat niet langer verschil van mening tussen partijen. Zij zijn het eens geworden over een waarde van € 200.000,-.
2. Omdat verweerder aan het beroep van eiser is tegemoetgekomen, heeft hij geen belang meer bij zijn beroep. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege het ontbreken van belang.
3. Nu het procesbelang is komen te ontvallen omdat verweerder aan eiser tegemoet is gekomen, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
4. In geschil is nog of er grond bestaat voor een proceskostenveroordeling. Partijen verschillen van mening over de vraag of sprake is van door eisers gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proces-kosten bestuursrecht.
4.1.
Met betrekking tot de door eisers gemachtigde in bezwaar en beroep verleende bijstand en vertegenwoordiging, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Gelet op de toelichting bij het Besluit Proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763, blz. 6) moet worden aangenomen dat voor het beroepsmatige karakter vereist is dat het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening (vgl. de uitspraak van de Hoge Raad van 16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2770). De gemachtigde stelt dat hij registeraccountant is, dat hij belastinginspecteur vennootschapsbelasting en vervolgens ruim 30 jaar firmant van een accountants-/belastingadvieskantoor is geweest en nu zijn praktijk uitoefent in de vorm van een besloten vennootschap met een jaarlijkse omzet van meer dan € 10.000,-, maar daaruit volgt niet dat hij regelmatig tegen vergoeding namens cliënten bezwaar- en beroepsprocedures voert over waarderingen op grond van de Wet WOZ en dat hij terzake enige relevante juridische scholing heeft genoten. Het verzoek om een proceskostenveroordeling wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, rechter, in aanwezigheid van mr. T. van Driel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2021.
griffier rechter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).