1.2.Op grond van artikel 2.3.5, tweede lid, van de Wmo 2015 dient binnen twee weken op een aanvraag om een maatschappelijke voorziening te worden beslist.
2. Op 18 november 2020 heeft eiser verweerder een e-mail verzonden met onder meer de mededeling: “Cliënt dient hierbij een melding c.q. aanvraag in om hulp en ondersteuning op grond van de Wmo”. Deze e-mail moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015.
3. Nadat verweerder gecontroleerd had of eiser stond ingeschreven in de basisregistratie personen van een van de deelnemende gemeenten aan de gemeenschappelijke regeling, heeft hij eiser verzocht om in contact te treden met hem om de melding te bespreken. Eiser heeft niet aan dit verzoek voldaan. Anders dan verweerder meent betekent dit niet dat de e-mail van 18 november 2020 niet meer als een melding kon worden aangemerkt. Voor die stelling van verweerder is in de Wmo 2015 noch in de daarop gebaseerde regelgeving steun te vinden.
4. Eiser heeft op 5 januari 2021 een aanvraag om maatschappelijke ondersteuning bij verweerder ingediend. Dat is zes weken nadat eiser een melding had gedaan. Eiser kon dus op grond van artikel 2.3.2, negende lid, van de Wmo 2015 een aanvraag indienen. Op grond van artikel 2.3.5, tweede lid, van de Wmo 2015 was verweerder gehouden daar binnen twee weken een beslissing op te nemen. Verweerder heeft dat tot op heden niet gedaan. Dat eiser volgens verweerder niet zijn (volledige) medewerking heeft verleend aan het onderzoek ontslaat verweerder niet van de verplichting om alsnog een beslissing te nemen op de aanvraag van eiser. Dat betekent dat het beroep gegrond is.
5. Eiser heeft de rechtbank verzocht de hoogte van de door verweerder verbeurde dwangsom vast te stellen. Gelet op artikel 4:17, eerste, tweede en derde lid, van de Awb bedraagt die dwangsom € 1.442,-.
6. De rechtbank ziet aanleiding verweerder een termijn te stellen om alsnog op de aanvraag van eiser te beslissen onder verbeurte van een dwangsom. De rechtbank bepaalt de dwangsom op € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-.
7. Voorts ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 374,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 0,5) aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.