Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- de heer [naam 2] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om één schuldeiser, ING Bank N.V., te verplichten in te stemmen met een minnelijk aangeboden schuldregeling. Verzoeker bood een betaling van 28,18% aan van de totale schuldenlast van €56.298,87, gebaseerd op zijn WIA-uitkering die tot april 2021 liep. ING weigerde met één van haar vorderingen van €37.043,85 in te stemmen, omdat zij vond dat verzoeker niet het maximaal haalbare had aangeboden.
De rechtbank stelde vast dat verzoeker in staat is om (parttime) betaalde arbeid te verrichten, maar sinds aanvang van het minnelijk traject niet heeft gesolliciteerd en zich dus niet maximaal heeft ingespannen om zijn schuldeisers te voldoen. De rechtbank oordeelde dat ING in redelijkheid kon weigeren omdat het aanbod niet het uiterste was dat verzoeker financieel kon bieden.
De rechtbank overwoog verder dat een wettelijk schuldsaneringstraject meer waarborgen biedt voor maximale inspanningen van verzoeker, zoals arbeids- en sollicitatieverplichtingen en toezicht door een bewindvoerder en rechter-commissaris. Daarom woog het belang van ING zwaarder dan dat van verzoeker en de overige schuldeisers.
Het verzoek om ING te bevelen in te stemmen met de schuldregeling werd daarom afgewezen. De rechtbank zal bij een afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingaan.
Uitkomst: Het verzoek om ING te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende inspanningen van verzoeker.