Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Stichting Vestia,
1..[gedaagde 1] ,
1..Het verloop van de procedure
2..De vaststaande feiten
3..De vordering
4..De beoordeling
5..De beslissing
:
Rechtbank Rotterdam
Vestia vordert in kort geding de ontruiming van een woning te Rotterdam die wordt gehuurd door [gedaagde 1]. De huurovereenkomst betreft een begeleid wonen traject met zorgkarakter, waarbij het gehuurde als hoofdverblijf moet worden gebruikt. [gedaagde 1] verblijft echter sinds juni 2020 in België in elektronische detentie voor een gevangenisstraf van 30 maanden.
Vestia stelt dat [gedaagde 1] ernstige overlast veroorzaakt en de woning niet als hoofdverblijf gebruikt, wat een ernstige tekortkoming vormt die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. De bewindvoerder, [naam instelling], is partij namens [gedaagde 1]. De rechtbank oordeelt dat Vestia niet-ontvankelijk is jegens [gedaagde 1] zelf, maar wel jegens de bewindvoerder.
De rechtbank stelt vast dat het niet bewoond zijn van de woning en de langdurige detentie een ernstige tekortkoming vormen. Het is aannemelijk dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden. Gezien het spoedeisende belang van Vestia en de belangen van omwonenden wordt de vordering tot ontruiming toegewezen met een termijn van veertien dagen na betekening. De proceskosten worden aan de verliezende partij opgelegd.
De ontruiming wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat Vestia de woning mag ontruimen ook bij hoger beroep. De rechtbank wijst het meer of anders gevorderde af.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt toegewezen jegens de bewindvoerder met een termijn van veertien dagen na betekening.