De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 19 april 2021 om een ondertoezichtstelling van een kind geboren in 2015, vanwege onrust in het leven van het kind en spanningen binnen het gezin. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit en het kind woont bij haar. Er waren meerdere tijdelijke verhuizingen, onregelmatige schoolbezoeken en beperkte bereikbaarheid van de moeder voor school en hulpverlening. De moeder vertoonde kwetsbaarheden die de situatie bemoeilijkten.
Tijdens de zitting op 2 juni 2021, waar de moeder, vader, vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling aanwezig waren, werd bevestigd dat er recent positieve ontwikkelingen zijn, zoals het informeren van het kind over zijn stiefvader en het opstarten van omgang met de biologische vader. De moeder en de vader stemden in met het verzoek tot ondertoezichtstelling.
De kinderrechter oordeelde dat de ontwikkelingsbedreiging vooral voortkomt uit de instabiliteit, wisselende woonplaatsen en problematische omgangsrelaties. Daarnaast waren er zorgen over de persoonlijke en financiële situatie van de moeder en mogelijke psychische problematiek. De maatregel van negen maanden ondertoezichtstelling werd passend geacht om de positieve ontwikkelingen te borgen en verdere stabiliteit te bevorderen.
De beschikking werd op 2 juni 2021 mondeling uitgesproken en op 13 juni 2021 schriftelijk vastgesteld. De ondertoezichtstelling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en loopt tot 2 maart 2022. Hoger beroep is mogelijk via het gerechtshof Den Haag.