De moeder was sinds 2015 ontheven van het ouderlijk gezag over haar minderjarige kind, waarna een gecertificeerde instelling (GI) als voogd werd benoemd. De minderjarige verbleef op een zorgboerderij. De moeder verzocht de rechtbank om herstel van het gezag, stellende dat de omstandigheden die tot ontheffing leidden waren veranderd en dat het in het belang van het kind was om het gezag te herstellen.
De GI en de Raad voor de Kinderbescherming ondersteunden het verzoek. Er werd erkend dat de minderjarige ADHD en hechtingsproblematiek heeft en dat de thuissituatie uitdagend kan zijn, maar er was vertrouwen in de moeder en een ondersteunend netwerk. De minderjarige verbleef reeds regelmatig bij de moeder en wilde graag bij haar wonen.
De rechtbank oordeelde dat aan de wettelijke criteria voor herstel van het gezag was voldaan: het was in het belang van het kind en de moeder was duurzaam in staat de zorg en opvoeding te dragen. Een proeftijd werd niet noodzakelijk geacht. De voogdij van de GI werd beëindigd en zij werd veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording over het vermogen van het kind. De beschikking werd op 31 mei 2021 uitgesproken.