ECLI:NL:RBROT:2021:5151

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juni 2021
Publicatiedatum
9 juni 2021
Zaaknummer
ROT 18/4938
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.6 WkkpArt. 1.1.1 WEBArt. 1.4a.1 WEBArt. 2.9 Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkostenArt. 2.8 t/m 2.11 Wet studiefinanciering 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opleiding voldoet niet aan voorwaarden voor kinderopvangtoeslag in 2016

Eiseres had in 2016 kinderopvangtoeslag ontvangen, maar verweerder stelde dat alleen de uren gewerkt konden worden meegenomen, niet de uren van de opleiding tot kraamverzorgende die eiseres volgde. Eiseres voerde aan dat de opleiding verplicht was door haar werkgever en erkend door College Zorg Opleidingen, en dat zij recht had op toeslag over de opleidingsuren.

De rechtbank beoordeelde dat de opleiding niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 1.6 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wkkp), omdat de opleiding niet erkend was volgens de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkosten of de Wet studiefinanciering 2000. De opleiding was niet opgenomen op de Vavo-lijst, Crebo-lijst of Croho-lijst en leidde niet tot een diploma zoals vereist.

Daarom was het recht op kinderopvangtoeslag terecht beperkt tot de gewerkte uren en niet uitgebreid met de opleidingsuren. De terugvordering van het teveel betaalde bedrag was daarmee terecht. Tevens wees de rechtbank een verzoek tot matiging van de terugvordering af, omdat eiseres geen bijzondere omstandigheden had aangetoond.

Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en de beslissing van verweerder gehandhaafd.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat de opleiding niet voldoet aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 18/4938

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres], te [woonplaats eiseres], eiseres,

gemachtigde: [naam 1],
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

gemachtigde: mr. S. Akbulut.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres definitief kinderopvangtoeslag over 2016 van € 4.165,- toegekend en daarbij tevens het eerder aan eiseres verstrekte voorschot van € 5.993,- teruggevorderd.
Bij besluit van 15 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2021. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 2].

Overwegingen

1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak de definitieve toekenning kinderopvangtoeslag over 2016 van € 4.165,- en de hieruit voortvloeiende terugvordering van € 5.993,-.
2. In besluit van 21 juni 2016 had verweerder eiseres een voorschot kinderopvangtoeslag voor 2016 van € 9.938,- toegekend, voor de periode vanaf 6 mei 2016.
Daarna heeft verweerder het primaire besluit genomen, dat met het bestreden besluit is gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de verkregen informatie is gebleken dat eiseres in 2016 490 uren heeft gewerkt. Het maximaal aantal uren is dan 490 x 140% is 686 uur. Vanaf 6 mei 2016 tot en met december 2016 komt dit afgerond neer op 88 uur per maand dagopvang, op grond waarvan eiseres over 2016 kinderopvangtoeslag is toegekend van € 4.165,-.
Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over de uren dat zij een opleiding (en stage) heeft gevolgd. Hierbij is overwogen dat de door eiseres gevolgde opleiding niet aan de voorwaarde voldoet, zoals neergelegd in artikel 1.6, van de van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: Wkkp).
In het verweerschrift is uitgelegd dat om in aanmerking te komen voor kinderopvangtoeslag vereist is dat sprake is van inschrijving bij een school of instelling als bedoeld in paragraaf 2.4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkosten dan wel als bedoeld in artikelen 2.8 t/m 2.11 van de Wet studiefinanciering 2000.
Daarnaast kan bij het volgen van een opleiding bij een particuliere onderwijsinstelling recht op kinderopvangtoeslag bestaan; ook dan geldt dat de student studiefinanciering of een tegemoetkoming in studiekosten moet kunnen krijgen van DUO.
Verweerder heeft in de brief van 19 april 2021 ten aanzien van de terugvordering een nadere toelichting gegeven.
3. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door haar gevolgde opleiding. Eiseres was door haar toekomstige werkgever verplicht deze opleiding en stage te volgen. Na het afronden van de opleiding heeft eiseres een arbeidscontract aangeboden gekregen bij [naam bedrijf] te [plaatsnaam], waar ze tot op heden als kraamverzorgende werkt. De werkgever heeft een verklaring afgegeven waaruit blijkt dat de opleiding 40 uur per week opleiding en stage inhoudt. Deze opleiding heeft eiseres gevolgd bij een door College Zorg Opleidingen erkende opleiding tot Kraamverzorgende, namelijk bij opleidingsinstituut de Bakermat.
Eiseres heeft van 9 mei tot en met 31 december 2016, 33 weken x 40 uren, totaal 1320 uren opleiding gevolgd. Het recht op kinderopvanguren bedraagt dan 140% x 1320, is totaal 1848 uren. Eiseres heeft in 2016 1609,76 uren ingekocht, hetgeen ruim binnen het aantal toegestane aantal is. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op € 9.538,- toeslag over 2016. Eiseres heeft ter zitting van 29 april 2021 toegelicht dat zij in de veronderstelling was dat haar opleiding voldoet aan de vereisten om in aanmerking te komen voor kinderopvangtoeslag. Het was voor haar onduidelijk wat haar inkomsten zouden zijn, aldus eiseres.
4. Artikel 1.6 van de Wkkp regelt het recht op kinderopvangtoeslag van een ouder die in verband met de combinatie van arbeid en zorg kinderopvang nodig heeft.
Op grond van artikel 1.6, eerste lid aanhef en onder j. van de Wkkp, heeft een ouder voor een berekeningsjaar aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de ouder in dat jaar is ingeschreven bij een school of instelling als bedoeld in paragraaf 2.4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkosten (hierna: de Wet) dan wel als bedoeld in de artikelen 2.8 tot en met 2.11 van de Wet studiefinanciering 2000.
In artikel 2.13 dat in die paragraaf 2.4. van de Wet is opgenomen is de tegemoetkoming geregeld voor het voortgezet onderwijs en voortgezet algemeen volwassenen onderwijs (vavo):
Voor tegemoetkoming ingevolge afdeling 5.2 kan een leerling in aanmerking komen indien hij is ingeschreven voor:
a. een opleiding of een gedeelte daarvan aan een school als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, en artikel 1.4a.1 van de WEB, voor zover het betreft een opleiding vavo,
b. een opleiding of een gedeelte daarvan aan een school als bedoeld in artikel 2.9, onderdelen a tot en met c, of
c. een cursus als bedoeld in artikel 2.9, onderdeel d, met dien verstande dat deze opleidingen of een gedeelte daarvan of die cursus die leiden tot het diploma:
1°.voorbereidend wetenschappelijk onderwijs,
2°.hoger algemeen voortgezet onderwijs, of
3°.voortgezet middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de theoretische leerweg.
De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
In tegenstelling tot hetgeen in het verweerschrift is aangegeven, is het beroepschrift van eiseres van 21 september 2018, tijdig door de rechtbank ontvangen.
5.2.
Ten aanzien van de vraag of verweerder eiseres terecht kinderopvangtoeslag over 2016 heeft geweigerd over de uren van haar opleiding, overweegt de rechtbank dat eiseres niet heeft betwist dat zij geen recht had op studiefinanciering of een tegemoetkoming in de studiekosten als bedoeld in de artikelen 2.8 tot en met 2.11 van de Wet studiefinanciering 2000. Eiseres voldoet dus niet aan die voorwaarde voor het recht op kinderopvangtoeslag.
De opleiding van eiseres valt niet onder artikel 2.13 onder a van de Wet (het is immers geen opleiding voortgezet algemeen volwassenen onderwijs, vavo).
De opleiding valt ook niet onder punt b van genoemd artikel 2.13: dat artikelonderdeel verwijst immers naar artikel 2.9. van de Wet onderdelen a t/m c: aan de voorwaarden onder a en b van genoemd artikel 2.9 voldoet de opleiding niet. En voor punt c moet het een opleiding zijn die is erkend op grond van de Wet op de erkende onderwijsinstellingen.
De Bakermat-instelling komt niet voor op de Vavo-lijst van particuliere instellingen die voor erkenning in aanmerking komen. Voorts is gebleken dat de instelling niet is opgenomen op de Crebo-lijst van MBO-opleidingen of de Croho-lijst van HBO-opleidingen. Het is dus niet een erkende opleiding in die zin van artikel 2.9 onder c van de Wet.
Als laatste is het ook niet een opleiding die leidt tot het diploma zoals genoemd in artikel 2.13 onder c, de punten 1 t/m 3 van de Wet.
Dat betekent dat de rechtbank tot de conclusie moet komen dat eiseres in 2016 geen opleiding volgde die voldeed aan de voorwaarden om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen. Verweerder heeft dus terecht de opleidingsuren niet meegenomen voor het recht op kinderopvangtoeslag en het aantal uren terecht gemaximeerd op 88 uren per maand.
5.3.
Verweerder is dus terecht uitgegaan van de gewerkte uren, zoals uiteengezet in het verweerschrift van 25 september 2019. Hierdoor is de terugvordering ontstaan.
Ten aanzien van de terugvordering overweegt de rechtbank dat in het Verzamelbesluit Toeslagen (besluit van 11 januari 2021) onder andere het beleid rondom het matigen van de terugvordering van toeslagen opgenomen. Het uitgangspunt is dat de belanghebbende de bijzondere omstandigheden voor matiging moet aandragen en bewijzen. Dat laatste heeft eiseres niet gedaan. Uit het Verzamelbesluit Toeslagen volgt dat de financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende die terugbetaling van toeslagen verhinderen, in het algemeen niet leiden tot een matiging van de terugvordering. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling. Nu geen bijzondere omstandigheden zijn aangedragen, heeft verweerder terecht gesteld dat de situatie van eiseres niet in aanmerking voor het matigen van de terugvordering.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, rechter, in aanwezigheid van G.J. Machwirth, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 10 juni 2021.
De rechter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te tekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.