Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
2. [eiser 2] ,
3. [eiser 3] ,
1..Het verdere verloop van de procedure
- het tussenvonnis van 4 september 2020;
- de akte van [eiser 1] ;
- de antwoordakte van [gedaagde] .
Rechtbank Rotterdam
In deze verzetprocedure heeft de kantonrechter het verstekvonnis van 8 januari 2020 bekrachtigd. Eiseres vordert betaling van een openstaande hoofdsom van € 932,40, welke grotendeels niet is betwist door gedaagde behalve een contante betaling van € 84,70 die gedaagde niet kon bewijzen.
De kantonrechter oordeelt dat de door eiseres overgelegde bankafschriften en betalingsoverzicht voldoende onderbouwing bieden dat de gevorderde hoofdsom resteert. De stelling van gedaagde over een contante betaling wordt verworpen wegens gebrek aan bewijs. Daarnaast worden de buitengerechtelijke incassokosten toegewezen, omdat deze conform het geldende Besluit zijn berekend.
Ook wordt de wettelijke handelsrente conform artikel 6:119a BW toegewezen, aangezien sprake is van een handelsovereenkomst en voldaan is aan de vereisten. De vordering van gedaagde wordt afgewezen en hij wordt veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure. Het vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken in openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het verstekvonnis wordt bekrachtigd en gedaagde veroordeeld tot betaling van € 932,40, incassokosten, wettelijke rente en proceskosten.