ECLI:NL:RBROT:2021:4608

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 maart 2021
Publicatiedatum
26 mei 2021
Zaaknummer
8870488 CV EXPL 20-41231
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de omzetbelasting 1968Art. 2 lid 1 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling restant aankoopsom restaurant na overname toegewezen ondanks misleidingsverweer

In deze zaak vordert eiser betaling van het restant van de aankoopsom van een restaurant dat gedaagde in het najaar van 2019 van hem heeft overgenomen. De koopprijs bedroeg €50.000, waarvan €25.000 reeds was betaald. Gedaagde heeft tot op heden €20.000 voldaan en is nog €5.000 verschuldigd.

De kern van het geschil betrof of deze betalingsverplichting voortvloeit uit een koopovereenkomst of een geldleningsovereenkomst. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat het gaat om een koopovereenkomst, ondanks dat de overeenkomst een geldleningsovereenkomst werd genoemd.

Gedaagde voerde verweer dat hij door eiser was misleid over de omzet en de staat van de elektriciteit in het restaurant, wat hem tot verbouwingen dwong. Eiser betwistte dit en stelde dat gedaagde voldoende gelegenheid had om de situatie te beoordelen, onder meer door meelopen met een boekhouder en inzage in de omzetcijfers.

De rechtbank oordeelde dat gedaagde zijn misleidingsverweer onvoldoende had onderbouwd en verwierp dit. De vordering tot betaling van het restantbedrag werd daarom toegewezen, inclusief btw over de dagvaardingskosten. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €5.000 restant aankoopsom en proceskosten, misleidingsverweer verworpen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8870488 CV EXPL 20-41231
uitspraak: 26 maart 2021
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats eiser] ,
eiser,
gemachtigde: [naam],
tegen:
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. V.G. Baran,
Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1..Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 22 oktober 2020, met bijlagen;
het antwoord van [gedaagde] ;
het tussenvonnis van 11 januari 2021 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
de op 22 februari 2021 ingekomen nadere bijlagen van [eiser] ;
de aantekening dat de mondelinge behandeling op 24 februari 2021 heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 2 lid 1 van Pro de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid via een beeld- en geluidverbinding met het programma Skype voor bedrijven.
Het vonnis is bepaald op heden.

2..De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.
2.1
In het najaar van 2019 heeft [gedaagde] van [eiser] een restaurant overgenomen voor een bedrag van € 50.000,-. [gedaagde] heeft de eerste € 25.000,- betaald en heeft met [eiser] afspraken gemaakt om de overige € 25.000,- af te lossen binnen 2 maanden, te rekenen vanaf 22 oktober 2019. Deze afspraken zijn middels een tussenpersoon vastgelegd in een aparte overeenkomst.
2.2
[gedaagde] is tot op heden een deel van de afspraken nagekomen en heeft € 20.000,- afgelost.

3..Het geschil

3.1
[eiser] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 5.000,-, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, inclusief btw.
3.2
[eiser] legt bij dagvaarding aan zijn vordering tot betaling nakoming van een overeenkomst van geldlening ten grondslag. Omdat [eiser] is vrijgesteld van btw, in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968, moet [gedaagde] ook de btw over de gerechtelijke kosten betalen.
3.3
[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Daarop zal – voor zover van belang – hierna worden ingegaan.

4..De beoordeling

4.1
Vast staat dat [gedaagde] nog € 5.000,- is verschuldigd aan [eiser] . Tussen partijen was, voorafgaand aan de mondelinge behandeling, in geschil of deze betalingsverplichting gebaseerd is op de koopovereenkomst of een geldleningsovereenkomst. Ter zitting hebben partijen verklaard dat de betalingsverplichting van [gedaagde] voortvloeit uit de koopovereenkomst. Dat de overeenkomst, waarin wordt verklaard dat [gedaagde] nog € 25.000,- dient te betalen aan [eiser] , een geldleningsovereenkomst wordt genoemd doet hieraan niet af. De vordering van [eiser] zal in beginsel dan ook worden toegewezen.
4.2
[gedaagde] verweert zich echter door te stellen dat [eiser] hem heeft misleid bij het sluiten van de koopovereenkomst. [eiser] heeft -aldus [gedaagde] - een bepaalde omzet voorgespiegeld, die [gedaagde] in de paar maanden na de overname bij lange na niet gehaald heeft. Ook klopte het een en ander niet rond de aanwezige elektriciteit. [gedaagde] heeft daarna moeten verbouwen. [eiser] heeft dit van zijn kant betwist. [gedaagde] heeft volgens hem gedurende anderhalve maand kunnen meelopen, waarbij een gemeenschappelijke boekhouder aanwezig was. De omzet van het halve jaar daaraan voorafgaand heeft [gedaagde] kunnen bekijken. Tegen de adviezen in is [gedaagde] daarna met een verbouwing begonnen. Het lag op de weg van [gedaagde] , gelet op deze stellingen van [eiser] , om zijn verweer inzake de misleiding tijdig en nader te onderbouwen. [gedaagde] heeft dit echter niet gedaan. Zijn verweer wordt daarom verworpen. De vordering van [eiser] zal worden toegewezen.
4.3
[eiser] vordert tevens betaling van de te berekenen btw over de gerechtelijke kosten. Nu het liquidatietarief ter zake het salaris van de gemachtigde en het griffierecht niet wordt verhoogd met btw, zal deze btw worden toegewezen over de dagvaardingskosten, nu [gedaagde] dit niet heeft betwist.
4.4
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.
4.5
Dit vonnis wordt zoals [eiser] vordert ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaard. Dit betekent dat [gedaagde] aan de veroordeling moeten voldoen en dat hij de aan [eiser] toegekende vergoeding moet betalen aan [eiser] , ook als in hoger beroep wordt gegaan tegen dit vonnis.

5..De beslissing

De kantonrechter
:
veroordeelt [gedaagde] aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.000,-;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 236,- aan griffierecht, € 104,97 aan dagvaardingskosten en € 622,- (2 punten x € 311,- per punt) aan salaris voor de gemachtigde;
bepaalt dat de dagvaardingskosten worden verhoogd met de daarover verschuldigde btw;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. E. van Schouten en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
44236