ECLI:NL:RBROT:2021:4601

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 mei 2021
Publicatiedatum
26 mei 2021
Zaaknummer
8183549
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzekeringsovereenkomst ANWB Wegenwacht en (pre)contractuele informatieverplichtingen

In deze zaak, behandeld door de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam, heeft de ANWB B.V. een vordering ingesteld tegen een gedaagde die niet heeft gereageerd op de dagvaarding. De vordering betreft een betaling van € 143,32 in het kader van een verzekeringsovereenkomst voor de Wegenwacht Service. De kantonrechter heeft eerder een tussenvonnis gewezen waarin de overeenkomst als verzekeringsovereenkomst is gekwalificeerd. De eisende partij heeft in een akte van 9 december 2020 haar vordering nader toegelicht en gesteld dat de gedaagde partij is geïnformeerd over de voornaamste kenmerken van de diensten en de totale prijs. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de eisende partij aan haar informatieverplichtingen heeft voldaan, ook al was er geen verweer van de gedaagde partij. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de gedaagde partij tot 24 januari 2020 premie verschuldigd was en dat de vordering tot betaling van € 143,32 toewijsbaar is. Daarnaast is de gedaagde partij in gebreke gebleven met het tijdig voldoen van de factuur, waardoor wettelijke vertragingsrente en buitengerechtelijke incassokosten zijn toegewezen. De kantonrechter heeft de gedaagde partij in het ongelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitgesproken door mr. M. Verkerk op 27 mei 2021.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 8183549 \ CV EXPL 19-50697
uitspraak: 27 mei 2021
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ANWB B.V.,
gevestigd te ‘s-Gravenhage,
eiseres bij exploot van dagvaarding van 15 november 2019,
gemachtigde: De Klerk Vis Niekus Gerechtsdeurwaarders en Incasso te Amsterdam,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
die niet heeft gereageerd.

1..Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Op 15 juli 2020 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen (hierna: het tussenvonnis). Voor het verloop van de procedure tot aan dat moment wordt naar dit tussenvonnis verwezen.
1.2.
Bij akte van 9 december 2020 heeft de eisende partij haar vordering nader toegelicht.

2. De verdere beoordeling

2.1.
De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Er bestaat geen aanleiding om daarop terug te komen.
2.2.
Naar aanleiding van de akte van de eisende partij overweegt de kantonrechter als volgt.
Verzekeringsovereenkomst
2.3.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat de tussen partijen gesloten overeenkomst moet worden gekwalificeerd als verzekeringsovereenkomst. De eisende partij heeft dit in haar akte beaamd, waar zij zich op het standpunt stelt dat de Wegenwacht Service een verzekering betreft. Om deze verzekering te kunnen afsluiten, is een ANWB-lidmaatschap vereist. In de onderhavige zaak is ook sprake van directe pechhulp, dat is hulp aan iemand die op het moment van pech geen lidmaatschap met Wegenwacht Service heeft, dan wel een verzekeringspakket heeft dat (nog) geen dekking biedt voor de benodigde pechhulp. De eisende partij stelt dat sprake is van één overeenkomst, waarvan de onderdelen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Voor het afsluiten van de Wegenwacht Service is een lidmaatschap vereist en de directe pechhulp wordt enkel verleend na het afsluiten van de Wegenwacht Service.
2.4.
De kantonrechter begrijpt het standpunt van de eisende partij aldus, dat het lidmaatschap en de directe pechhulp ten dienste staan van en accessoir zijn aan de Wegenwacht Service (de verzekeringsovereenkomst). Bij de verdere beoordeling neemt de kantonrechter dan ook tot uitgangspunt dat (enkel) sprake is van een verzekeringsovereenkomst.
Gevolgen kwalificatie verzekeringsovereenkomst
2.5.
In de akte stelt de eisende partij zich op het standpunt dat de onderdelen sleutelhulp, transporthulp en repatriëring van de Wegenwacht Service vallen onder de uitzonderingsbepaling van artikel 1:6 lid 1 onder e, onderdelen 1, 2 en 3 Wft. De onderdelen vervoer, toezenden onderdelen en een vervangend chauffeur vallen niet onder deze bepaling, zodat, zo stelt de eisende partij, de Wft op de Wegenwacht Service van toepassing is.
2.6.
Nu de eisende partij niet heeft gespecificeerd welke diensten in het onderhavige geval aan de gedaagde partij zijn verleend, neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat de Wft op de onderhavige overeenkomst van toepassing is.
(Pre)contractuele informatieverplichtingen
2.7.
Op de onderhavige verzekeringsovereenkomst, die online is afgesloten, zijn de informatieverplichtingen van toepassing zoals bedoeld in paragrafen 1 en 6 van afdeling 6.5.2b BW, artikel 4:20 Wft en de paragrafen 8.1.1, 8.1.4, 8.1.6 en 8.1.7 BGfo. Zoals in het tussenvonnis is overwogen, moet de kantonrechter er ambtshalve op toezien dat deze consumentenbeschermende voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
2.8.
De eisende partij stelt dat zij heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen. Ter onderbouwing hiervan heeft zij verwezen naar bij de akte van 9 december 2020 overgelegde printscreens, waaruit blijkt hoe het online bestelproces verloopt. De eisende partij heeft de gang van zaken tijdens het bestelproces geschetst. Zij stelt dat de gedaagde partij is geïnformeerd over de voornaamste kenmerken en de totale prijs van de aangevraagde diensten, de duur van de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende verplichtingen. De overeenkomst is vervolgens tot stand gekomen nadat de gedaagde partij op een niet voor misverstand vatbare wijze duidelijk is gemaakt dat daarmee een betalingsverplichting werd aangegaan.
2.9.
De eisende partij heeft in haar akten uiteengezet welke gegevens in de bevestigingsbrief en de factuur zijn opgenomen en welke informatie in de polisvoorwaarden te vinden is. De aan de gedaagde partij verzonden bevestigingen en facturen zijn overgelegd. De eisende partij heeft in haar akte een link naar de polisvoorwaarden opgenomen, een en ander in lijn met het landelijke ‘Informatieformulier voor zaken waarin de gedaagde een natuurlijke persoon is’.
2.10.
De kantonrechter is van oordeel dat met hetgeen de eisende partij in de nadere akte heeft gesteld en onderbouwd, voldoende is gebleken dat zij heeft voldaan aan haar wettelijke informatieverplichtingen. Voor zover de vereiste informatie (deels) niet voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst is verstrekt, geldt dat deze ook onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst kan worden verstrekt, al dan niet door opname in de polisvoorwaarden (art. 4:20 lid 6 Wft en art. 78 BGfo). In de onderhavige polisvoorwaarden is in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen melding gemaakt van de vereiste informatie (voor zover niet reeds voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst verstrekt). Dit geldt in ieder geval voor het herroepingsrecht, waarop in de precontractuele fase niet expliciet wordt gewezen (zie in dit verband ook artikel 6:230x lid 1 BW en artikel 78 BGfo), maar waarvan in de polisvoorwaarden in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen melding wordt gemaakt. Daarmee is ook aan deze informatieverplichting voldaan.
Einde van de verzekeringsovereenkomst
2.11
De kantonrechter constateert dat de eisende partij nog steeds geen duidelijkheid heeft gegeven over de beëindiging van de overeenkomst met gedaagde en daarover wisselende en onduidelijke stellingen heeft ingenomen.
2.12
Gelet op de als productie VI bij akte van 25 februari 2020 overgelegde brief gaat de kantonrechter ervan uit dat de eisende partij het lidmaatschap en de Wegenwacht Service heeft beëindigd zoals bedoeld in haar algemene voorwaarden tegen het einde van de looptijd van de verzekering. Dit brengt met zich dat de overeenkomst niet eerder is geëindigd dan 24 januari 2020 en dat de gedaagde partij tot die datum premie verschuldigd is en tot die datum aanspraak heeft kunnen maken op haar uit de overeenkomst voortvloeiende rechten.
Wat is toewijsbaar?
2.13.
Als productie IV bij akte van 25 februari 2020 is de factuur overgelegd waarvan de eisende partij betaling vordert. In de factuur staat dat de gedaagde partij een totaalbedrag van € 143,32 verschuldigd is. Uit de overgelegde aanmaning en 14-dagenbrief blijkt dat de gedaagde partij heeft nagelaten dit bedrag tijdig te betalen.
2.14.
De vordering tot betaling van € 143,32 ligt gelet hierop voor toewijzing gereed.
2.15.
Omdat de gedaagde partij in gebreke is gebleven met het tijdig voldoen van de factuur is de gevorderde wettelijke vertragingsrente verschuldigd. Deze zal worden toegewezen.
2.16.
De eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De eisende partij heeft aan de gedaagde partij een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
2.17.
De gedaagde partij wordt in deze zaak in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor genomen aktes blijven echter voor rekening van de eisende partij, aangezien het aan haarzelf te wijten is dat het nodig was deze extra aktes op te stellen.
Tot slot
2.18.
De kantonrechter overweegt tot slot, ten overvloede, als volgt. De eisende partij heeft in de dagvaarding (onder het kopje “verweer”) aangegeven:
“Gelet op het bepaalde bij art. 111 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wijst eiseres er op dat haar geen verweer tegen haar vordering bekend is;
Eiseres ziet er dan ook vanaf in dit stadium allerlei op de zaak betrekking hebbende
bescheiden over te leggendoch is bereid en in staat op het eerste verzoek haar vordering
nader te documenteren;”[onderstreping toegevoegd].
2.19.
Zoals in het tussenvonnis is overwogen, voldoet de dagvaarding niet aan de eisen die de wet daaraan stelt. Dat een gedaagde partij (mogelijk) geen verweer voert, doet aan de in het tussenvonnis genoemde wettelijke verplichtingen van artikelen 21 en 111 Rv niets af. De eisende partij is nu nog in de gelegenheid gesteld de gebreken aan de dagvaarding te repareren met aktes. Deze praktijk is niet blijvend. De kantonrechter geeft de eisende partij dan ook met klem in overweging haar dagvaardingen in het vervolg direct te voorzien van de voor de beoordeling benodigde informatie en stukken. Immers, het niet of niet volledig voldoen aan de wettelijke verplichtingen of het niet of onvoldoende onderbouwen van de stelling dat daaraan is voldaan, kan (en zal op termijn) leiden tot (gedeeltelijke) afwijzing van de vordering
.

3..De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 184,71 te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 143,32 vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
€ 85,18 aan dagvaardingskosten,
€ 121,00 aan griffierecht en
€ 37,00 aan salaris gemachtigde;
3.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Verkerk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
680