Eiser ontving een naheffingsaanslag parkeerbelasting van de gemeente Rotterdam ter hoogte van €64,42. Verweerder verklaarde het bezwaar van eiser tegen deze naheffingsaanslag niet-ontvankelijk, maar vernietigde de aanslag ambtshalve zonder kostenvergoeding toe te kennen. Eiser stelde beroep in tegen deze beslissing.
De rechtbank stelde vast dat het bezwaar binnen de wettelijke termijn was ingediend en ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard. Het geschil beperkte zich tot de vraag of de kostenvergoeding voor rechtsbijstand terecht was afgewezen. Ondanks de professionele expertise van eiser oordeelde de rechtbank dat het niet onredelijk was dat eiser een rechtshulpverlener inschakelde, waarmee werd voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets.
De rechtbank kende een proceskostenvergoeding toe van €333,25, gebaseerd op een wegingsfactor van 0,25 vanwege de eenvoud en het geringe belang van de zaak. Tevens werd het betaalde griffierecht van €48,- aan eiser vergoed. Het beroep werd gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het bezwaar niet-ontvankelijk was verklaard.