ECLI:NL:RBROT:2021:4158

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 april 2021
Publicatiedatum
10 mei 2021
Zaaknummer
C/10/609427 / HA ZA 20-1182
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 210 lid 1 RvArt. 2:11 BWArt. 2:248 BWArt. 2:248 lid 6 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot oproeping in vrijwaring van bestuurder na aandelenoverdracht en faillissement

In deze civiele procedure vordert de curator in het faillissement van Farma Cleaning & Services B.V. dat voormalig bestuurder en middellijk bestuurder hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor kennelijk onbehoorlijke taakvervulling die heeft geleid tot het faillissement.

De gedaagden verzoeken in een incident om de nieuwe bestuurder en diens vennootschap in vrijwaring op te roepen, omdat zij sinds de aandelenoverdracht en bestuurswissel de verantwoordelijkheid dragen. De curator verzet zich tegen dit verzoek en stelt dat de gestelde rechtsverhouding ontbreekt en dat de nieuwe bestuurder niet aansprakelijk is gesteld.

De rechtbank oordeelt dat de vordering tot vrijwaring onvoldoende is onderbouwd, aangezien de curator de nieuwe bestuurder niet aansprakelijk heeft gesteld voor de periode van het faillissement waarin de verzoekers bestuurder waren. Ook staat de verleende decharge niet in de weg aan de hoofdzaak, maar vormt dit geen grond voor vrijwaring. De rechtbank wijst het verzoek af en veroordeelt de verzoekers in de proceskosten van het incident.

Uitkomst: Verzoek tot oproeping in vrijwaring wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van rechtsverhouding en aansprakelijkheid.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/609427 / HA ZA 20-1182
Vonnis in incident van 14 april 2021
in de zaak van
[naam curator]
in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Farma Cleaning & Services B.V.,
wonende te Rotterdam,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. S.A. Jansen te Rotterdam,
tegen

1..[persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] ,
2. [bedrijf A]
,
gevestigd te [vestigingsplaats A] ,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat mr. A. Quispel te Oud-Beijerland.
Eiseres zal hierna [naam curator] q.q. genoemd worden. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk [persoon A] en [bedrijf A] genoemd worden en gezamenlijk [persoon A] c.s.

1..De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 23 november 2020, met producties 1 tot en met 22;
  • de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring;
  • de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2..De vordering in de hoofdzaak

2.1.
In de hoofdzaak vordert [naam curator] q.q. om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht te verklaren dat [bedrijf A] haar taak als bestuurder van Farma Cleaning & Services B.V. (hierna: Farma Cleaning) kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld als bedoeld in artikel 2:248 BW Pro;
voor recht te verklaren dat [persoon A] zijn taak als middellijk bestuurder van Farma Cleaning kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld als bedoeld in artikel 2:11 BW Pro jo. 2:248 BW;
voor recht te verklaren dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervullingen een belangrijke oorzaak van het faillissement van Farma Cleaning zijn geweest;
voor recht te verklaren dat [bedrijf A] en [persoon A] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het bedrag van de schulden van Farma Cleaning voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan;
[bedrijf A] en [persoon A] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de curator van de schulden in het faillissement van Farma Cleaning, voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, nader op te maken bij staat;
[bedrijf A] en [persoon A] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de curator van een bedrag van € 509.029,37 bij wijze van voorschot op de betaling waartoe gedaagde op grond van het voorgaande zal zijn gehouden, te vermeerderen met de wettelijke rente;
[bedrijf A] en [persoon A] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente;
[bedrijf A] en [persoon A] hoofdelijk te veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
[persoon A] te veroordelen tot betaling aan de curator van een bedrag van € 93.431,14, te vermeerderen met de wettelijke rente;
[persoon A] te veroordelen in de kosten van de gelegde beslagen, te vermeerderen met de wettelijke rente;
[bedrijf A] te veroordelen tot betaling aan de curator van een bedrag van € 1.008,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.2.
[naam curator] q.q. legt aan haar vorderingen onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur van de vennootschap ten grondslag.

3..Het geschil in het incident

3.1.
[persoon A] c.s. vordert dat wordt toegestaan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Düsseldorf Rolling B.V. (hierna: Düsseldorf Rolling) en haar enig bestuurder en aandeelhouder de heer [persoon B] (hierna: [persoon B] ) in vrijwaring op te roepen, kosten rechtens.
3.2.
[persoon A] c.s. stelt daartoe het volgende. Farma Cleaning is op 28 januari 2020 in staat van faillissement verklaard. Tot 29 maart 2019 was [bedrijf A] enig aandeelhouder en bestuurder van Farma Cleaning, terwijl [persoon A] enig aandeelhouder en bestuurder was van [bedrijf A] . Op 29 maart 2019 heeft [bedrijf A] bij notariële akte alle in haar bezit zijnde geplaatste aandelen van Farma Cleaning verkocht en overgedragen aan Düsseldorf Rolling. In de notariële akte is tevens bepaald dat [bedrijf A] per 29 maart 2019 is uitgetreden als directeur van Farma Cleaning en dat met ingang van dezelfde datum Düsseldorf Rolling benoemd is tot enig directeur van Farma Cleaning. [persoon B] is enig aandeelhouder en bestuurder van Düsseldorf Rolling. [persoon A] c.s. heeft er belang bij om Düsseldorf Rolling en [persoon B] (gezamenlijk hierna: [persoon B] c.s.) in vrijwaring op te roepen, omdat de vorderingen die zijn ingesteld door [naam curator] q.q. ook betrekking hebben op het handelen en nalaten van [persoon B] c.s. Vanaf 29 maart 2019 draagt [persoon B] c.s. als bestuurder de verantwoordelijkheid van Farma Cleaning. Als het door de curator aan [persoon A] c.s. gemaakte verwijt (namelijk dat [persoon A] c.s. als voormalige bestuurder een ondeugdelijke administratie zou hebben gevoerd) terecht is, dan heeft dat verwijt ook tegenover [persoon B] te gelden, nu hij sinds 29 maart 2019 als bestuurder van Farma Cleaning de verantwoordelijkheid draagt en [persoon A] c.s. ook de administratie van Farma Cleaning aan [persoon B] heeft overhandigd. Daarnaast heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van Farma Cleaning in de notariële akte aan [persoon A] c.s. decharge verleend. Indien [persoon B] c.s. in vrijwaring mag worden opgeroepen, kan [persoon A] c.s. een veroordelend vonnis geheel of ten dele op [persoon B] c.s. afwentelen.
3.3.
[naam curator] q.q. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering in het incident, met veroordeling van [persoon A] c.s. in de kosten daarvan, inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Uit de door [persoon A] c.s. gestelde feiten
volgt niet dat er tussen [persoon A] c.s. en [persoon B] c.s. een rechtsverhouding bestaat die [persoon B] c.s. verplicht tot vrijwaring. [naam curator] q.q. heeft [persoon B] c.s. (nog) niet op grond van artikel 2:248 BW Pro aansprakelijk gesteld, waardoor niet vaststaat dat [persoon A] c.s. een veroordelend vonnis geheel of ten dele op [persoon B] c.s. kan afwentelen. Daarbij zien de feiten op grond waarvan [naam curator] q.q. [persoon A] c.s. aansprakelijk houdt voor het boedeltekort op de periode dat enkel [persoon A] c.s. bestuurder was van Farma Cleaning. [persoon B] c.s. treft geen verwijt van de feiten die [naam curator] q.q. aan haar vorderingen ten grondslag legt. Daarnaast volgt uit de notariële akte niet dat de verleende decharge [persoon B] c.s. verplicht om [persoon A] c.s. te vrijwaren. Verder bepaalt artikel 2:248 lid 6 BW Pro dat een aan de bestuurder verleende kwijting aan het instellen van de vordering ex artikel 2:248 BW Pro niet in de weg staat. Tot slot zal een gezamenlijke behandeling van de hoofdzaak en de vrijwaringszaak de hoofdzaak onredelijk en onnodig vertragen, hetgeen een goede en efficiënte afwikkeling van het faillissement van Farma Cleaning in de weg staat.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4..De beoordeling in het incident

4.1.
De incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring is tijdig en vóór alle weren genomen. Ingevolge artikel 210 lid 1 Rv Pro kan de gedaagde iemand in vrijwaring oproepen indien hij meent hiertoe gronden te hebben. Voldoende is dat gedaagde in de hoofdzaak genoegzaam stelt, dat tussen hem en de derde een rechtsverhouding bestaat krachtens welke de derde verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak te dragen.
4.2.
De op artikel 2:248 BW Pro gebaseerde vorderingen van [naam curator] q.q. in de hoofdzaak zien op het handelen van [persoon A] c.s. in de periode dat niet [persoon B] c.s., maar [persoon A] c.s. de bestuurder was van Farma Cleaning. Het was aan [persoon A] c.s. om te stellen waarom [persoon B] c.s. op basis van de gestelde rechtsverhouding tussen hen, verplicht is om de nadelige gevolgen van een veroordeling van [persoon A] c.s. in de hoofdzaak te dragen. [persoon A] c.s. heeft niet aan die stelplicht voldaan. Dat [naam curator] q.q. mogelijk ook [persoon B] c.s. als bestuurder van Farma Cleaning kan aanspreken op grond van artikel 2:248 BW Pro voor de periode dat [persoon B] c.s. bestuurder was, is geen grond voor vrijwaring door [persoon B] c.s. voor de periode dat [persoon A] c.s. bestuurder was. Evenmin is een grond voor vrijwaring dat de vennootschap decharge heeft verleend aan [persoon A] c.s. bij het einde van het bestuur door [persoon A] c.s. De incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring zal derhalve worden afgewezen.
4.3.
[persoon A] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.
4.4.
De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5..De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt [persoon A] c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van [naam curator] q.q. tot op heden begroot op € 563,00;
5.3.
veroordeelt [persoon A] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [persoon A] c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;
5.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
5.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
28 april 2021voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus. Het is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 14 april 2021.
3304/2438/638