4.2.Beoordeling
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken.
Op 11 mei 2020 werd omstreeks 20.30 uur bij de politie gemeld dat net een gewapende overval op de Zaagmolenkade te Rotterdam had plaatsgevonden.
Uit de verklaringen van de aangevers en de getuigen bleek dat er vier overvallers waren, waarvan twee vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen droegen. Eén van deze twee overvallers met een wapen droeg een zogenaamd Anonymous-masker. De overvaller met het Anonymous-masker had een gezet postuur, donkere huidskleur en kroezig haar. De andere overvaller met een wapen was lang, had een donkere huidskleur en opgeschoren haar (hierna: de lange overvaller). De andere twee overvallers maakten die avond gebruik van een grijze Opel Corsa met kenteken [kentekennummer 1] (hierna: de Corsa). Achter het stuur van de Corsa zat een jonge man met een Irakees uiterlijk en een volle baard. Naast de bestuurder zat een donkergetinte jonge man met een normaal postuur en een tatoeage aan de linkerkant van zijn nek. De latere slachtoffers [naam slachtoffer 1] (hierna: [naam slachtoffer 1]) en [naam slachtoffer 2] (hierna: [naam slachtoffer 2]) reden op de avond van de overval in een groene Volkswagen Golf met kenteken [kentekennummer 2] (hierna: Golf).
[naam slachtoffer 1] had afgesproken om die avond verdovende middelen te verkopen. Hij was daartoe, kort voor de overval, op de Hofdijk ter hoogte van het Stadsarchief van Rotterdam, bij de Corsa achterin ingestapt. [naam slachtoffer 2] reed vervolgens alleen met de Golf achter de Corsa aan richting de Zaagmolenkade. Op de Zaagmolenkade parkeerde [naam slachtoffer 2] de Golf op korte afstand van de Corsa. Vrijwel direct daarna kwam de lange overvaller, die achterin de Corsa plaats nam naast [naam slachtoffer 1]. Hij laadde zijn wapen door en hield daarna het wapen op de benen van [naam slachtoffer 1] gericht. Daarbij werd dreigende taal geuit. Vervolgens werd het andere achterportier van de Corsa geopend door de overvaller met het Anonymous-masker. Hij gaf [naam slachtoffer 1] met zijn wapen meerdere klappen tegen het hoofd. De lange overvaller pakte (ongeveer) 460 euro uit de zak van [naam slachtoffer 1]. Vervolgens werd [naam slachtoffer 1] uit de Corsa getrokken en liepen de vier overvallers samen met [naam slachtoffer 1] naar de Golf, waar [naam slachtoffer 2] in zat. Daar werd [naam slachtoffer 2] meerdere keren geslagen en werd hij, onder dreiging van een wapen en het uiten van dreigende taal, van zijn telefoon beroofd. De overvallers renden daarna richting de Corsa, stapten in en reden weg richting de Meent. Hierop hebben [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] in hun auto de achtervolging ingezet, waarbij de overvaller met het Anonymous-masker vanuit de Corsa zijn wapen op hen richtte.
Anders dan de raadsvrouw acht de rechtbank de aangiftes op het punt van de gewapende overval wel betrouwbaar, omdat de aangiftes op essentiële onderdelen worden ondersteund door ander bewijs. Drie getuigen hebben los van elkaar verklaard over vier overvallers, die geweld gebruikten en waarvan één een masker droeg. Ook is gezien dat vanuit het open raam van de wegrijdende Corsa een vuurwapen op de Golf werd gericht. Getuige [naam getuige] heeft verder verklaard dat de overvaller met het masker het slachtoffer meesleurde en met zijn pistool wees naar diens hoofd en been. Hij trok daarna het slachtoffer naar een groene auto, die iets verderop geparkeerd stond, en hield de bestuurder van die groene auto onder schot. Verder heeft getuige [naam getuige] verklaard dat de overvallers daarna weer terugliepen naar de Corsa, instapten en wegreden en werden gevolgd door de groene auto.
Daar komt nog bij dat de verbalisant, die vlak na de overval ter plaatse kwam, bij [naam slachtoffer 1] verwondingen aan het hoofd heeft geconstateerd, waarvan er één leek op de afdruk van de loop van een wapen. Tot slot komen ook de aangiftes zelf op essentiële onderdelen met elkaar overeen en heeft [naam slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris onder ede een met de aangifte nagenoeg eensluidende verklaring afgelegd.
De vraag die vervolgens voorligt is of [naam verdachte] één van de overvallers was. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daarbij als volgt.
Toen de politie na de melding naar de Zaagmolenkade kwam, troffen zij [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] in de Golf ter plaatse aan. [naam slachtoffer 1] verklaarde dat zijn telefoon gestolen was en dat hij via de app “find my phone” kon traceren waar zijn telefoon zich op dat moment bevond. Hij had kort daarvoor gezien dat zijn telefoon zich op de Spinozaweg te Rotterdam bevond.
Aan de hand hiervan, en in samenhang bezien met het opgegeven kenteken van de Corsa, werd [naam medeverdachte] (hierna: [naam medeverdachte]) op 11 mei 2020 om 20:53 uur op de Spinozaweg door de politie aangehouden. Even later heeft de politie op het wegdek, op korte afstand van de plaats waar [naam medeverdachte] werd aangehouden, de gestolen zwarte iPhone van [naam slachtoffer 2] aangetroffen. [naam medeverdachte] heeft tegenover de politie verklaard dat hij eerder die avond met de Corsa op de plaats delict was geweest en dat er toen geweld is gebruikt.
Onderzoek naar de onder [naam medeverdachte] in beslag genomen telefoon heeft uitgewezen dat hij recent meerdere gesprekken had gevoerd met een contact genaamd “[naam]”.
Op een door “[naam]” aan [naam medeverdachte] gezonden filmpje heeft aangever [naam aangever ] twee overvallers herkend; [naam medeverdachte] als de bestuurder van de Corsa en “een andere jongen” als de bijrijder. Anders dan de raadsvouw heeft betoogd, is van enige onrechtmatigheid bij deze wijze van herkenning naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De politie heeft immers geen opsporingshandeling verricht die onder de gegeven omstandigheden ongeoorloofd was. De politie heeft vervolgens in haar systemen gezocht onder de naam [naam]. Dit in combinatie met de beeltenis van ‘de andere jongen’ in de telefoon van [naam medeverdachte] heeft geleid tot aanhouding van de verdachte op 12 mei 2020. Bij die aanhouding heeft de politie een wapen en munitie in de bestelbus waarin de verdachte zat, aangetroffen.
Vervolgens is de telefoon van de verdachte onderzocht. Dit onderzoek heeft, voor zover hier relevant, tot de volgende resultaten geleid:
- op 10 mei 2020 heeft er een appgesprek over de aankoop van verdovende middelen plaatsgevonden tussen het nummer van de telefoon van de verdachte en het telefoonnummer dat [naam aangever ] gebruikt;
- op 11 mei 2020 om 17:38 uur is via google maps gezocht naar de locatie Zaagmolenkade te Rotterdam;
- op een foto zijn twee mannen te zien met een vuurwapen in hun hand. Eén van hen is de medeverdachte [naam medeverdachte];
- op een foto is een man te zien met een Anonymous-masker;
- op een foto zijn twee mannen te zien met een vuurwapen in hun hand. Eén van hen is de verdachte;
- op een foto zijn drie mannen te zien met twee vuurwapens. Eén van hen is de verdachte;
- op filmpjes zijn dezelfde vier mannen als op de foto’s te zien, die in wisselende poses twee ogenschijnlijke vuurwapens in hun handen hebben.
Bij raadpleging van de historische gegevens van de telefoon van de verdachte bleek dat hij op 11 mei 2020 om 18.21 uur gebeld werd door het telefoonnummer van de medeverdachte [naam medeverdachte], waarbij de telefoon van de verdachte een zendmast aanstraalde op de Pleinweg te Rotterdam-Zuid. Om 19.36 uur straalde de telefoon van de verdachte een zendmast aan op de Heer Bokelweg te Rotterdam. Deze straat ligt direct naast de Hofdijk, waar aangever [naam aangever ] in de Corsa was gestapt. Om 19.45 uur straalde het telefoonnummer van de verdachte een zendmast aan op de Crooswijksestraat te Rotterdam. Die straat ligt dichtbij de Zaagmolenkade waar de beroving heeft plaatsgevonden.
Uit politieonderzoek is verder gebleken dat de verdachte op 28 en 29 mei 2020 telefoongesprekken heeft gevoerd waarin hij spreekt over de overval. Uit de inhoud en de strekking van de telefoongespreken leidt de rechtbank af dat de verdachte gedetailleerde informatie over de overval had, die niet afkomstig lijkt te zijn uit het op dat moment beschikbare politiedossier. Tot slot komt het door de aangever [naam aangever ] geschetste signalement van de bijrijder van de Corsa, waaronder de beschrijving van een tatoeage aan de linkerkant van zijn nek, overeen met het signalement van de verdachte.
Al het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte één van de vier overvallers is geweest. Er is sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. De overige gevoerde verweren vinden hun weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.
Nu [naam aangever ] in zijn aangifte heeft verklaard dat hij zijn telefoon in zijn hand had en liet vallen in de Corsa, kan niet worden vastgesteld dat zijn telefoon bij de overval is gestolen. De verdachte zal daarom van de ten laste gelegde diefstal van de telefoon van [naam aangever ] worden vrijgesproken.
Nu de rechtbank van oordeel is dat het bewijs van de herkenning door [naam aangever ] van de verdachte op het filmpje niet onrechtmatig verkregen is, wordt het verweer van de verdediging met betrekking tot het bewijs van het aantreffen van het vuurwapen en munitie bij de verdachte eveneens verworpen.
Conclusie
De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.