ECLI:NL:RBROT:2021:3999
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen kostenvergoeding in bezwaar bij gedeeltelijke toewijzing bijstandsuitkering
Eiser ontving een bijstandsuitkering die door verweerder werd herzien en teruggevorderd vanwege vermoedelijke inkomsten in de periode van februari tot mei 2019. Na bezwaar en beroep werd het primaire besluit deels vernietigd en verweerder moest een nieuw besluit nemen. In het bestreden besluit II werd de terugvordering over april tot mei 2019 gehandhaafd vanwege onvoldoende bewijs van recht op bijstand.
Eiser stelde dat hij met loonstroken van een uitzendbureau alsnog voldoende bewijs had geleverd en dat verweerder nader onderzoek had moeten doen. Tevens betoogde hij dat ten onrechte geen kostenvergoeding in bezwaar was toegekend. De rechtbank oordeelde dat het deel van het besluit over april-mei 2019 formele rechtskracht had gekregen en dat er geen ruimte was voor hernieuwde discussie over het recht op bijstand in die periode.
De rechtbank volgde eiser echter in zijn standpunt dat de kostenvergoeding ten onrechte niet was toegekend en verklaarde het beroep daarom gegrond op dat punt. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten. Het beroep werd voor het overige ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor het niet toekennen van kostenvergoeding en ongegrond voor het overige; verweerder moet griffierecht en proceskosten vergoeden.