ECLI:NL:RBROT:2021:3619

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 april 2021
Publicatiedatum
23 april 2021
Zaaknummer
ROT 20/2745
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 lid 3 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering wegens overschatting functionele mogelijkheden ongegrond verklaard

Eiseres, arbeidsongeschikt wegens locomotore klachten, ontving sinds 2015 een WIA-uitkering. Verweerder beëindigde deze uitkering per 7 januari 2019, later herzien tot 23 januari 2020. Eiseres stelde dat haar functionele mogelijkheden waren overschat, mede vanwege een acute ziekenhuisopname eind 2019 en psychische beperkingen.

De rechtbank toetste of verweerder de beperkingen en de mate van arbeidsongeschiktheid correct had vastgesteld. Uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de rapportages van de arbeidsdeskundige bleek dat eiseres in staat was om ten minste 65% van het maatmaninkomen te verdienen. De functionele mogelijkheden waren adequaat vastgesteld, ook rekening houdend met vervoer en psychische klachten.

De rechtbank oordeelde dat de uitlooptermijn van twee maanden en één dag passend was, gezien de medische situatie en revalidatie. Er was geen aanleiding om de mate van arbeidsongeschiktheid hoger vast te stellen dan door verweerder gedaan. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering bekrachtigd.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de WIA-uitkering is ongegrond verklaard en het besluit bekrachtigd.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/2745

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. W.G.H. van de Wetering,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,
gemachtigde: mr. D. Spiering-Kalay.

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 7 januari 2019 beëindigd.
Bij besluit van 22 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat de Wet WIA-uitkering van eiseres met ingang van 23 januari 2020 wordt beëindigd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2021.
Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres is ten gevolge van locomotore klachten op 15 augustus 2013 uitgevallen voor haar werk als schoonmaakster gedurende 16,6 uren per week. Verweerder heeft eiseres met ingang van 26 augustus 2015 een WIA-uitkering toegekend.
2. Ten behoeve van de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van een herbeoordeling heeft de verzekeringsarts op 17 oktober 2018 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Daarin zijn beperkingen aangegeven ten aanzien van alle zes de rubrieken. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen een aantal gangbare functies geduid. Op basis van de mediaanfunctie (de middelste van de eerste drie genoemde functies) is eiseres, volgens de arbeidsdeskundige, in staat om meer dan 65% van het maatmaninkomen te verdienen, te weten 100%. Op grond van deze rapportages heeft verweerder het primaire besluit genomen.
In het kader van de heroverweging heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 5 november 2019 geconcludeerd dat op grond van de beschikbare medische gegevens, met name de actuele medische informatie, aanleiding is om een aangepaste belastbaarheid aan te nemen. Deze beperkingen zijn weergegeven in de FML van 5 november 2019, geldig vanaf 17 oktober 2018. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft blijkens het rapport van 21 november 2019 geconcludeerd dat de eiseres voorgehouden functies van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), melkmonsternemer (SBC-code 111041) en medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) niet langer voor haar geduid kunnen worden. Naast de resterende functies machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122) en administratief ondersteunend medewerker (SBC-code315100) wordt eiseres geschikt geacht voor het verrichten van de functie van besteller post/pakketten (SBC-code 282102). Op basis van de mediaanfunctie is er een verlies aan verdienvermogen van 6,38%. De vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres, minder dan 35%, wordt onderschreven.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de WIA-uitkering van eiseres met ingang van 23 januari 2020 beëindigd. De inhoud van de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep maken daarvan deel uit.
3. Eiseres voert in het beroepschrift, door de rechtbank ontvangen op 6 januari 2020, aan dat haar functionele mogelijkheden zijn overschat. Tevens kan het bestreden besluit geen stand houden nu er op 29 december 2019 sprake is geweest van een acute ziekenhuisopname in verband met hartklachten en eiseres nog is opgenomen op de afdeling cardiologie. Daarnaast was sprake van vochtophoping in of achter de longen waardoor in de nacht van 29 december 2019 negen liter vocht is afgetapt. Door zeer ernstige benauwdheid is zij niet in staat enige lichamelijke inspanning te leveren. Indien zij op de datum in geding niet in ziekenhuis is, is eiseres volledig arbeidsongeschikt in verband met een revalidatieperiode. Ter zitting van 24 maart 2021 heeft eiseres aangevoerd dat met het bestreden besluit weliswaar de uitlooptermijn van twee maanden en één dag is toegepast bij de intrekkingsdatum van 23 januari 2020, maar in haar situatie niet kan worden aangehouden. De opname en aansluitende revalidatieperiode heeft plaatsgevonden op grond van dezelfde klachten en beperkingen. Er was geen sprake van arbeidsongeschiktheid door bijvoorbeeld een griepje. Een uitlooptermijn dient gebruikt te kunnen worden waarvoor die bedoeld is. Tevens is ter zitting aangevoerd dat er sprake is objectieve psychische beperkingen. Eiser acht het inconsistent dat zij niet gevolgd wordt in haar standpunt dat zij beperkt is ten aanzien van vervoer, terwijl ze heeft aangegeven dat zij door haar angsten niet durft auto te rijden en dit alleen in uiterste situaties doet. Indien de twee functies waarbij sprake is van autorijden komen te vervallen, resteren er onvoldoende functies om de schatting op te baseren.
4. Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
5. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres terecht met ingang van 23 januari 2020 heeft vastgesteld op minder dan 35%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of verweerder de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiseres, rekening houdend met haar beperkingen, in staat is met gangbare arbeid ten minste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
6. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossierstudie, anamnese, eigen onderzoek, het gestelde in het bezwaarschrift en ter hoorzitting van 24 april 2019, alsmede op medische informatie afkomstig van de behandelend longarts van eiseres. Het onderzoek heeft daarmee op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden.
De rechtbank is voorts niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van eiseres en meer beperkingen had moeten aannemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 5 november 2019 inzichtelijk gemotiveerd op welke punten eiseres beperkt is te achten en op welke punten niet. Daarbij is in het bijzonder rekening gehouden met de verkregen informatie van de behandelend longarts, waarin aanleiding is gezien voor het stellen van meer beperkingen in de nieuwe FML. Eiseres heeft haar standpunt dat er bij haar sprake is van toegenomen longbeperkingen niet nader onderbouwd. De rechtbank volgt eiseres niet in het door haar ter zitting aangevoerde standpunt dat er sprake is van meer psychische beperkingen en er sprake is van inconsistentie in de beoordeling, door het volgen van haar psychische klachten maar haar niet te volgen in de beperking voor vervoer door haar angsten. Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank dat in het rapport van de primaire verzekeringsarts onder onderzoeksbevindingen inzichtelijk is gemotiveerd welke bevindingen bij het psychisch onderzoek aanleiding zijn geweest voor het stellen van beperkingen op persoonlijk en sociaal functioneren. Voorts heeft de verzekeringsarts geen aanleiding gezien voor het stellen van meer beperkingen op dit gebied. Eiseres heeft in beroep geen medische gegevens verstrekt die aanknopingspunten bieden voor twijfel aan dat standpunt. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om eiseres te volgen in haar standpunt dat de in acht genomen uitlooptermijn van twee maanden en een dag niet voor haar niet voldoende is.
7. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de functionele mogelijkheden van eiseres correct heeft vastgesteld. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van eiseres overschrijdt. Hierbij is overwogen dat eiseres niet beperkt is geacht voor vervoer, waardoor er geen reden is eiseres niet in staat te achten voor de twee functies waarbij sprake is van autorijden.
8. Vergelijking van het inkomen dat eiseres in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat zij in haar eigen werk zou hebben verdiend als zij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen te zien van 6,38%. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres is door verweerder dus terecht bepaald op minder dan 35%.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, rechter, in aanwezigheid van G.J. Machwirth, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 23 april 2021.
de griffier is buiten staat
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.