ECLI:NL:RBROT:2021:3618
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen beëindiging Ziektewetuitkering wegens verdiencapaciteit
Eiser was werkzaam als oogstmedewerker en ontving sinds juni 2017 een WW-uitkering. Na ziekmelding per 29 oktober 2018 werd hem vanaf 28 januari 2019 een Ziektewetuitkering toegekend. Op 8 oktober 2019 besloot het UWV de uitkering te beëindigen per 29 november 2019, omdat eiser volgens arbeidsdeskundig en medisch onderzoek in staat zou zijn meer dan 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen.
Eiser voerde in beroep aan dat zijn beperkingen groter zijn dan vastgesteld, onder meer door fysieke klachten, depressie en medicatiegebruik. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep concludeerden echter dat het oorspronkelijke onderzoek zorgvuldig was, dat er geen aanwijzingen waren voor aanvullende beperkingen en dat eiser geschikt was voor een aantal gangbare functies met een verdiencapaciteit van 74,37%.
De rechtbank oordeelde dat het medisch en arbeidsdeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig was, dat er geen bewijs was voor aanvullende beperkingen en dat eiser terecht werd geacht in staat te zijn meer dan 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt ongegrond verklaard.