Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
2..De feiten
DE SITUATIE MET ONGEVAL
”
3..Het geschil
in de hoofdzaak en in het incident
4..De beoordeling in het incident
5..De beslissing
2 juni 2021voor conclusie van antwoord.
Rechtbank Rotterdam
Op 6 juni 2012 raakte eiser, een zelfstandige ondernemer in shutters, betrokken bij een verkeersongeval waarbij hij van achteren werd aangereden door een vrachtwagen. Hij liep letsel op met blijvende nek- en rugklachten die zijn arbeidsvermogen ernstig beperkten.
Partijen schakelden gezamenlijk medische deskundigen in die bevestigden dat de klachten verergerd zijn door het ongeval, ondanks pre-existente degeneratieve afwijkingen. Eiser werkte na het ongeval met hulp van derden, maar kon zijn werkzaamheden uiteindelijk niet voortzetten. HDI betwistte de omvang van de schade en voerde onder meer rechtsverwerking aan wegens vermeende onjuiste feitelijke voorlichting.
De rechtbank verwierp het beroep op rechtsverwerking en artikel 21 Rv Pro, oordeelde dat het causaal verband tussen ongeval en klachten voldoende aannemelijk is en stelde vast dat eiser volledig arbeidsongeschikt is voor zijn eigen werkzaamheden maar een restverdiencapaciteit heeft voor passend werk. De omvang van de schade werd begroot op circa €546.208,71, waarvan reeds €250.000 aan voorschotten is betaald. De rechtbank veroordeelde HDI tot betaling van een voorschot van €296.208,71 en in proceskosten.
Uitkomst: Rechtbank veroordeelt HDI tot betaling van een voorschot van €296.208,71 aan eiser wegens letselschade na verkeersongeval.