ECLI:NL:RBROT:2021:3218
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen sluiting woning op grond van artikel 13b Opiumwet wegens handel in softdrugs
Verzoekers, eigenaar en bewoners van een woning waar een handelsvoorraad softdrugs werd aangetroffen, werden geconfronteerd met een last onder bestuursdwang tot sluiting van hun woning voor zes maanden door verweerder, de burgemeester van Rotterdam. De sluiting was gebaseerd op een politierapportage die een handelshoeveelheid hennep en hasj in de woning aantoonde, bedoeld voor bevoorrading van een coffeeshop.
Verzoekers stelden dat het besluit niet zorgvuldig was voorbereid, omdat het strafrechtelijk onderzoek nog liep en de rapportage onvolledig en eenzijdig was. Ook voerden zij aan dat de woning geen drugspand was in de zin van de wet, omdat er geen overlast was en de voorraad bestemd was voor de coffeeshop, die al decennia probleemloos werd geëxploiteerd. Verweerder had volgens hen onvoldoende gemotiveerd waarom een sluiting noodzakelijk was en waarom niet volstaan kon worden met een waarschuwing.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang aanwezig was, maar dat verweerder de noodzaak van de sluiting onvoldoende aannemelijk had gemaakt. De rapportage gaf onvoldoende concrete aanleiding voor de politie-inval en er was geen sprake van overlast of aantasting van de openbare orde. Ook werd meegewogen dat in een vergelijkbaar geval volstaan was met een waarschuwing. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het besluit tot sluiting geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van verzoekers. Tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het besluit tot sluiting van de woning wordt geschorst.