Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Procesverloop
- verzoeker met zijn hiervoor genoemde advocaat;
- mr. J.F.C. Janssen, officier.
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een schadevergoeding gevorderd wegens overschrijding van de termijn van vier weken zoals bedoeld in artikel 5:16 lid 1 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Deze termijn betreft de beslissing van de officier van justitie of voldaan is aan de criteria voor verplichte zorg.
De rechtbank stelt vast dat de officier de termijn met 13 dagen heeft overschreden, van 8 januari 2021 tot 21 januari 2021. Verzoeker heeft immateriële schade geleden door de onzekerheid over de voortzetting en aard van de verplichte zorg, wat een inbreuk op zijn autonomie betekent.
De rechtbank past artikel 10:12 lid 3 Wvggz Pro toe, dat een laagdrempelige regeling biedt voor schadevergoeding bij niet-naleving van wettelijke termijnen. Gelet op de ernst van de normschending en de gevolgen voor verzoeker, stelt de rechtbank de schadevergoeding vast op €10 per dag, in totaal €130.
De Staat wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag, en de beslissing is uitvoerbaar bij voorraad. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staat tot betaling van €130 schadevergoeding wegens overschrijding van de wettelijke termijn voor een beslissing over verplichte zorg.